Foto Ans Brys

‘Ik vind het ongelofelijk fijn om het slachtoffer te spelen’

Willem de Wolf is de Nederlandse acteur bij het eigenzinnige Vlaamse toneelgezelschap Cie De Koe, dat dit jaar zijn dertigjarig bestaan viert. „Mijn vertwijfeling over alles is de bron van waaruit ik werk en speel.”

Willem is graag alleen, vertelt actrice Natali Broods in de voorstelling Achter/Af van het Vlaamse toneelgezelschap Cie De Koe, over haar collega Willem de Wolf. Waarna ze vertelt dat zijn grote broer toen hij een jaar of twaalf was zijn broertje te eenzaam vond en een vriend voor hem uitzocht. Die kwam bij hen thuis, maar de jongen maakte geen indruk op Willem. Willem vond hem sneu. Willem vond juist de jongen eenzaam.

Zijn collega’s Broods en Peter Van den Eede wilden de anekdote graag in de voorstelling opnemen nadat De Wolf hem had verteld in de voorstelling die hij eerder dit seizoen met Laura van Dolron maakte: Een antwoord op alle vragen. In die voorstelling improviseerden de makers antwoorden op vragen uit het publiek. Nu staat het verhaal ook in het jubileumboek dat verschenen is ter ere van het dertigjarig bestaan van de groep: Koe doet boek.

Het schitterende jubileumboek is een soort toneeltekst in boekvorm, waarin de drie makers, de artistieke kern van De Koe, praten over elkaar, hun band en over het maken van het boek. In de vele en vaak uitgebreide voetnoten vindt het eigenlijke terugblikken en het reflecteren op theater plaats. Het voltrekt zich in de stijl van De Koe: geestig, ontregelend, met de makers zelf op de voorgrond. Jubileumvoorstelling Achter/Af is de zogenaamde boekpresentatie, met teksten die het boek wel en het boek niet haalden.

De ochtend na de première in de Gentse Minardschouwburg legt De Wolf (Groningen, 1961) in de kleedkamer van het gebouw uit waarom de anekdote zo goed bij hem past. Hij heeft bewust geen vrienden in zijn leven. „De laatste tijd denk ik wel: het zou leuk zijn om een vriend te hebben. Er zijn wel mensen die ik regelmatig spreek.” Hij heeft wel een vrouw. „Zij is absoluut een vriend en meer dan dat. Dat is voldoende. Ik hoef ook niet met een vriend op café te zitten. Bovendien drink ik niet meer.”

Lees ook de recensie van Achter/Af: Jubilerend Cie de Koe speelt luchtige ‘boekvoorstelling’

Tien jaar geleden vroeg Van den Eede hem bij De Koe. Met de groep ontwikkelde hij in gezamenlijkheid vele voorstellingen, maar hij schreef ook solo teksten als Krenz en The Marx Sisters. Krenz (uit 2011) en het met Rebekka de Wit geschreven FosterHuberHeyne (2017) werden genomineerd voor de Toneelschrijfprijs. Zijn taalgevoel hoor je af aan de mooie, afgeronde zinnen waarin hij spreekt.

De Wolf was een periode freelancer, nadat hij decennia lang (1985-2004) had opgetreden met Ton Kas. Kas & de Wolf was een spraakmakend, vrijgevochten duo op het snijvlak van toneel, mime en slapstick. De Wolf: „Ton was wel een vriend van me. Ton was erg veel. Ik heb zelden met iemand zoveel samen gedaan. Dus ik ken het fenomeen vriendschap. Maar na een première ga ik het liefst meteen naar huis. Ik ben dan gelukkig, alleen. Blij dat het gedaan is. Sowieso zijn toneelspelers na afloop blij. Busjes met toneelspelers die naar huis rijden zijn vrolijke busjes.”

Kas & de Wolf, dat was revolte, zegt hij. „Trappen tegen de gevestigde orde. De bezeten wil om het anders te doen, om je te onderscheiden, is niet verloren gegaan.” Hij heeft meer meegenomen uit die tijd. „De vraag wat het is wat we doen. De poging om op een geestige manier te vertellen. En de wens iets van mezelf in de voorstelling op te nemen.”

Hoe onderscheidt een theatermaker zich?

„Een theatermaker staat altijd in een traditie. Zelfs De Koe heeft inmiddels het aura van een gevestigde groep, met een eigen stijl, een herkenbare, postmoderne manier van werken. Je kunt niet eeuwig de vernieuwer zijn.”

Improviseren was nieuw voor je.

„Dat gaf een bevrijding bij het spelen. Ik dacht niet te kunnen improviseren. Maar het vertrouwen nam toe met het plezier van in het moment zijn. Dat heb ik als een enorme emancipatie ervaren. Het heeft ook een dot nervositeit weggenomen. Ik ben veel doodgegaan op het toneel. Als ik moest spelen, hoopte ik dat de voorstelling zo snel mogelijk afgelopen zou zijn. Dat ben ik kwijt.”

Wat krijgt de toeschouwer als je iets van jezelf in de voorstelling legt?

„Een autobiografie. Mijn jeugd in een communistische familie in Groningen. De communisten die over de vloer kwamen, maakten een ongelofelijke indruk op me, vanwege het vanzelfsprekende van het verzet en vanwege de omkering van het denken over arm en rijk. Bij ons thuis, in de jaren zeventig, was de oorlog ook nadrukkelijk aanwezig. Het ging over families die goed en fout waren geweest, die rood waren, over verraad.

„Mijn grootvader zat bij de vakbondsbeweging, mijn vader was ondernemer, hij had een loodgietersbedrijf. Zijn opstelling was al genuanceerder. Hij zei dat ik op mijn woorden moest letten, anders kon ik in moeilijkheden komen.”

Hoe was je verhouding met je vader?

„Die was liefdevol, maar complex. Hij was een lokale bekendheid als keeper in Groningen. Ik had grote bewondering voor het zelfvertrouwen waarmee hij in het leven stond.”

Heb je dat zelfvertrouwen geërfd?

„Nee. Mijn vertwijfeling over alles is de bron van waaruit ik werk en speel. Ik kan niet vanuit een zekerheid materiaal maken. Ik kan alleen werken vanuit een vraag. Ten aanzien van mijn opvoeding, mijn denken en doen. Ik heb daarover geen zekerheden.”

In een lezing vorig jaar zei je dat de teloorgang van het communisme je persoonlijk had geraakt. Verwond zelfs.

„Zo’n wond maak ik. Er is geen communistische samenleving, maar ik blijf erin geloven. Ik wakker het geloof aan als materiaal. Omdat het tragisch is. Dramatisch.

„Ik kom graag te vroeg. Te laat komen interpreteer ik politiek, vanwege het gemak waarmee iemand leeft. Het klassenbewustzijn heb ik altijd gevoeld. De provincie. Geen culturele opvoeding. Vanuit die vernederde positie manifesteer ik me nog steeds. Ik ben ook jaloers op mensen die leven met de vanzelfsprekendheid dat zij bepalen hoe het gaat. Dat ken ik niet. Het kost me ongelofelijk veel moeite om te zeggen hoe ik het wil.”

De teaser van Achter/Af.

Hij valt even stil. Dan: „Misschien is het laf om te zeggen dat het materiaal is. Ik ken omstandigheden waarin ik geleefd heb en waarin ik dacht: zo zou het voor iedereen moeten zijn. Ik blijf geïnteresseerd in die idealen. Ik wil ook theater maken in een constellatie. Samen. Ik heb problemen met een almaar individualistischer wordende samenleving.”

Je zei ook dat je de teleurstelling geïnternaliseerd hebt. Hoe werkt dat?

„Materiaal is interessant als het een mislukking in zich houdt die ik beschrijven kan. De personages mislukken, maar de tekst zelf ook. Die mislukking verwerk ik in de tekst zelf.”

Dat klinkt als een van de paradoxen waar De Koe mee speelt.

„Wat wij spelen, hangt van paradoxen aan elkaar. Peter is daar meer op gefixeerd dan ik. Ik ben politieker en explicieter. Ons werk is impliciet politiek, maar ik heb de angst dat ik niet begrepen word. Die tegenstelling tussen ons is een boeiend gevecht. Het gaat Peter om de kunst. Hij is ook altijd radicaal. Een toren van stoelen op het toneel? Dat gaat bij hem over zo hoog mogelijk.”

In ‘Achter/Af’ ben je het mikpunt van de anderen. Je wordt hard aangepakt.

„Ik vind het ongelofelijk fijn om te spelen. Incasseren, slachtoffer zijn, gaat me goed af. Ik ben geneigd om het sadomasochistisch te noemen, maar laten we het praktisch houden. Het stimuleert me.”

Dat doet me denken aan een anekdote in het boek waarin je vertelt dat je vader werd vernederd op een terras door het personeel vanwege zijn eenvoudige komaf. Het voelt alsof jij de vernederde persoon was. En dat met je meedraagt.

„Het is een interessante lijn, de fascinatie voor mislukken, incasseren, vernederd worden. Ik denk dat ik een grote kracht ontwikkel vanuit het idee dat ik de vernederde een stem geef. Niet alleen in mijn teksten of in hoe ik speel. Ik weet hoe het voelt en weet dat je aan de vernedering kan ontsnappen. Ik ben zelf een escaper. De pijn zorgt niet voor blijvend letsel, maar misschien ben ik zelf blijvend letsel. Misschien is dat wat je ziet als je mij ziet spelen. Dat ik het al zo lang meedraag dat ik het geïncorporeerd heb.”

In ‘Krenz’ schreef je over Egon Krenz, de gedoodverfde opvolger. Identificeer je je met de tweede man?

„Ja, zeer. Bij Ton, hier bij De Koe, bij mijn vader. Het is hoe ik mezelf zie.”

Wat definieert de tweede man?

„Hij is de man die het werk doet maar niet het gezicht is. Die incasseert, opvangt. Die basis is.”

In termen van klassenstrijd is de tweede man de arbeider voor de baas die de vruchten plukt?

De Wolf lacht. „Gaan we het zo doen? Maar het is een goede metafoor. Het is niet vanzelfsprekend dat ik hier zit.”

Ook in de tweede man zit dat masochistische.

„Pijn is een goede bron. Theatervoorstellingen zijn pijnfabrieken. Het publiek zoekt die plaatsvervangende pijn. Ik geef het ze met volle teugen.”

Cie De Koe: Achter/Af. T/m 2/6 in Nederland. Koe doet Boek. Uitgeverij Hannibal, 39 euro.