Rut Matthijsen (1921-2019) rolde het verzetswerk in

In deze rubriek elk weekeinde een necrologie van iemand die recent is overleden.

Rut Matthijsen (1921-2019) was in de oorlog een van de oprichters van het Utrechts Kindercomité.

Als eerstejaars scheikunde-student Rut(ger) Matthijsen in de zomer van 1942 niet op een kamer aan de Mariahoek in Utrecht had gewoond, dicht bij het Centraal Station, waren zijn oorlogsjaren misschien heel anders verlopen. Via medestudent Jan Meulenbelt kreeg hij de vraag of het Utrechts Kindercomité, een verzetsorganisatie in oprichting, in zijn studentenhuis mocht vergaderen omdat het zo handig gelegen was voor de groepsleden, afkomstig uit zowel Amsterdam als Utrecht. Aanleiding voor de vergadering was het feit dat de moeder van Meulenbelt een aantal joodse onderduikkinderen in huis had en haar zoon had gevraagd of hij medestudenten kon vragen om betrouwbare adressen. Matthijsen stemde toe op voorwaarde dat hij de vergadering mocht bijwonen. Zo rolde hij het verzetswerk in.

Aanvankelijk haalde Matthijsen kinderen op in Amsterdam en bracht hen naar onderduikadressen. De onderduikverleners kregen 50 gulden per kind voor de verzorging, geld dat de studenten zelf bijeen moesten brengen als de ouders het niet konden betalen. Zo werd Rut ook fondsenwerver. Hij sprak mede-corpsleden met rijke ouders aan en verkocht zijn postzegelverzameling, die 300 gulden opbracht.

Toen het Utrechts Kindercomité – dat deze naam overigens pas na de oorlog kreeg – in geldnood kwam, bracht het later beroemd geworden gedicht ‘Het Lied der Achttien Dooden’ van Jan Campert uitkomst. Via via kwam het gedicht in handen van Matthijsen en mede-Comitélid Geert Lubberhuizen, die besloten om de tekst, die al was verschenen in het ondergrondse Vrij Nederland, illegaal uit te geven en te verkopen voor 5 gulden. De verkoop liep goed, er werden vijftienduizend exemplaren verkocht, vertelt Matthijsens dochter Corien Kruydenberg. Met de verspreiding van het gedicht werd de basis gelegd voor uitgeverij De Bezige Bij.

Rut Matthijsen in 2012.

In februari 1943 ging het bijna mis voor Rut Matthijsen: bij een routinecontrole werd hij in Amsterdam opgepakt met een koffer vol worst en kaas, bestemd voor onderduikers. Op verdenking van zwarte handel werd hij naar het politiebureau overgebracht, waar Matthijsen, die valse persoonsbewijzen en voedselbonnen op zijn lichaam had geplakt, uit het raam sprong. Hij kwam terecht op een berg kolen en werd met een hersenschudding opgenomen in een ziekenhuis. „De Duitsers hielden hem voor een doodgewone zwarthandelaar en hadden niet door dat ze een verzetsman in handen hadden”, aldus zijn dochter. Na vier weken in het ziekenhuis was Matthijsen weer vrij man. Voortaan moest hij echter wel onder de radar opereren en zo ging de chemiestudent op de zolderkamer van Geert Lubberhuizen aan de Utrechtse Van Limburg Stirumstraat documenten vervalsen. Niet alleen valse persoonsbewijzen voor de leden van het Utrechts Kindercomité waaruit bleek dat ze banen hadden die onmisbaar waren voor de Duitse bezetter en vrijgesteld waren van tewerkstelling in Duitsland, maar ook bonkaarten voor de vele ondergedoken kinderen.

Loyaliteitsverklaringen

Er waren meer spannende momenten voor Matthijsen gedurende de oorlog. In de nacht van 12 op 13 december 1942 was hij betrokken bij de brand in het Academiegebouw in Utrecht, waarbij de complete studentenadministratie verloren ging. Doelbewust: zo hoefden studenten geen loyaliteitsverklaring meer te ondertekenen en konden ze niet worden opgeroepen voor de Arbeitseinsatz. Omdat de Duitsers geloofden dat de brand was veroorzaakt door een verdwaalde brandbom volgden er geen represailles. De studenten spraken af om ook na de oorlog nooit over de brand te zullen praten. Zijn dochter: „Het had immers weinig gescheeld of het hele Academiegebouw was afgebrand.”

In juni 1943 was Matthijsen betrokken bij een aanslag. Het Kindercomité ontdekte dat een echtpaar dat joodse kinderen in huis had contacten onderhield met de SD. Besloten werd de kinderen weg te halen en het stel te liquideren. De aanslag slaagde maar ten dele, waarna twee leden van het Comité, Hetty Voûte en Gisela Söhnlein, werden opgepakt. Net op tijd konden ze de overige leden waarschuwen. Beide vrouwen overleefden Ravensbrück.

Na de oorlog hervatte Rut Matthijsen zijn studie scheikunde. In 1952 studeerde hij af en ging hij werken bij Organon in Oss, waar hij tot zijn pensioen bleef. Over de oorlog vertelde hij als „een spannend verhaal”, herinnert Corien Kruydenberg zich, „waarbij hij zijn eigen rol bagatelliseerde. Alleen over die brand heeft hij, zoals was afgesproken, nooit verteld.” Dat verhaal kwam haar pas ter ore toen Geert Lubberhuizen het in 1969 vertelde in Utrechts Nieuwsblad. Vier jaar later kreeg Matthijsen de Yad Vashem-onderscheiding van de staat Israël voor zijn hulp aan joodse kinderen. „Mijn vader heeft nooit kwade dromen over de oorlog gehad, zoals hij het zelf omschreef”, vertelt Corien Kruydenberg. „Het was geen man van emoties en drama. Hij zei altijd: Ik heb geluk gehad.”