Opinie

    • Maarten Schinkel

Europa doet het echt beter dan Amerika

Maarten Schinkel

En wat heeft Europa eigenlijk voor ons gedaan? Vorig jaar circuleerde in het Verenigd Koninkrijk een Brexit-variant op Monty Pythons Life of Brian. In die film vraagt een afscheidingsbeweging zich af wat de Romeinen nou eigenlijk voor hun land hebben gedaan. De opsomming blijkt flink. Zo flink dat het protest langzaam verandert in een sputterend gemurmel.

Dat geldt ook voor de Britten en ‘Europe’, zo was vorig jaar de boodschap. Maar het gaat ook op voor het overblijvende continent. Schoppen tegen Brussel is een geliefde aanpak voor veel partijen die donderdag deelnemen aan de verkiezingen voor het Europees Parlement. Het doet denken aan hoe de Amerikaanse kiezer in verkiezingstijd tegenover ‘Washington’ wordt gezet. Drain the swamp!

Toch vergaat het die kiezer helemaal niet zo slecht als hij denkt. Amerika wordt hier vaak gezien als het lichtende voorbeeld. Een dynamische economie met hoge groei. De voortvarende aanpak van de banken na Lehman, waar Europa draalde. Een late reactie van het monetaire beleid, in vergelijking met de VS. Maar de cijfers zeggen iets anders.

Welvaart is lastig te meten. Maar het bruto binnenlands product per hoofd, gecorrigeerd voor koopkrachtverschillen (zogenoemde purchasing power parities), is een aardige maatstaf. De jongste cijfers van de OESO, de club van rijke industrielanden, zijn hierbij een goede bron. De OESO doet zijn best om cijfers van verschillende landen onderling vergelijkbaar te maken.

Meer welvaartsgroei kwam ten goede aan meer mensen, ten opzichte van de VS

In de afgelopen twintig jaar groeide het Amerikaanse bbp per hoofd jaarlijks gemiddeld met 1,31 procent. Dat van de Europese Unie deed het beter, met 1,36 procent. Nu zijn er binnen Europa behoorlijke verschillen. In Italië bedroeg deze groei gemiddeld nauwelijks meer dan nul. Maar in Oost-Europa was hij juist zeer hoog. Veel andere landen zitten ertussenin. In Nederland bedroeg deze groei-maatstaf 1,24 procent. Duitsland deed het, met 1,32 procent, beter dan de VS.

Waarom is dit contra-intuïtief? Ten eerste omdat de Europese bevolking minder snel groeit dan de Amerikaanse. Maar misschien ook wel omdat wij hier vooral het Amerikaanse succes merken. Europeanen concentreren zich cultureel nogal op de Amerikaanse kustgebieden, waar de groei relatief hoog is. Maar net zoals er bij ons een verschil is tussen het snel groeiende Ierland en het stagnerende Italië, is er daar ook een verschil tussen, zeg, Californië en Alabama, tussen Massachusetts en Ohio.

Nu kun je tegenwerpen dat de werkloosheid in de Europese Unie, met 7,9 procent dit jaar, nog steeds hoog is. In de Verenigde Staten is hij, met 3,7 procent, veel lager. Aan de andere kant is de ongelijkheid in Europa weer een stuk lager. De Amerikaanse Gini-coëfficiënt bedraagt 0,391. Dat is veel hoger dan in alle EU-landen, waar hij zo’n beetje rond de 0,28 schommelt. Het is lastig om de economische groei per hoofd van de bevolking daarvoor te corrigeren. Maar geconcludeerd mag worden dat de groei van de economie in de EU, door de lagere ongelijkheid, aan méér mensen ten goede zal zijn gekomen dan in de VS. En dan zijn de overheidsfinanciën in de EU-landen ook nog beter op orde. Ook, met gemak, als zij wél aan hun NAVO-verplichtingen zouden voldoen.

Count your blessings, zou je zeggen. Europa deed, en doet, het helemaal niet zo slecht. En dat is maar goed ook. Alles wijst erop dat we in de toekomst meer op onszelf zullen zijn aangewezen. Dat vergt integratie, geen fragmentatie. Iedereen die ‘Brussel’ laakt voor politiek gewin, rijdt gratis mee op de treeplank van het voertuig dat generaties Europeanen vóór ons hebben gebouwd.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.

Correctie (23 mei 2019): In een eerdere versie van deze rubriek was sprake van een Amerikaanse Gini-coëfficiënt van 39,1. Dit is gecorrigeerd naar 0,391.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.