Recensie

Recensie Boeken

Ook al voor de bevrijding zoop en naaide heel Europa

Atte Jongstra Deze soms nogal luimige en lichtzinnige roman gaat over een ferme archivaris die gedenktekens in kaart brengt. De kracht zit in de vele malle anekdotes, nuchtere relativeringen en archivarische data.

Foto Getty Images

Atte Jongstra debuteerde in 1985 met een boek over Multatuli en ook in zijn recentste roman heeft hij een prominent plekje ingeruimd voor de schepper van Max Havelaar. Er is een saluut (‘“De parelduiker vreest de modder niet’, had ik eens gelezen’”), er is sprake van een film die Minnebrieven heet (‘met fantastische ski-scènes’) en – het belangrijkste – het hoofdpersonage Chris Holtser krijgt al vroeg een bundel papier in handen gedrukt die zich laat typeren als een modern pak van Sjaalman. En daarmee steekt Jongstra zijn grote held qua humor naar de kroon. Want wat bevat het zoal aan teksten? Nou, een opstel ‘over valse lucht’, bijvoorbeeld. Eentje ‘over Winnetou’. ‘Over runen en speculaasplanken’. ‘Over de veranderlijkheid van straatnamen’. En ‘over standbeelden voor de verkeerde’.

Je neukt jezelf en anderen door de slechte periode heen, steeds denkend aan de vrede die daarmee wordt voortgebracht.

Met dat laatste, met die standbeelden, zijn we aanbeland bij de kern van De Aardappelcentrale, een (soms al te) luimige en lichtzinnige roman met een hoog u-kunt-me-de-kont-kussen-gehalte. In deze tijd van herdenken, in de jaarlijkse echo van het ‘dit nooit weer’, legt Jongstra ons een paar personages voor die het nog helemaal niet zo slecht hadden in de Tweede Wereldoorlog. Sterker nog, er wordt zelfs gemijmerd over die oorlog als ‘de allermooiste tijd’. Daar moet dan wel bij worden opgemerkt dat dit Holtser te binnen schiet vlak na een wild triootje met onder anderen de vrouw van een foute Duitser. ‘Je neukt jezelf en anderen door de slechte periode heen, steeds denkend aan de vrede die daarmee wordt voortgebracht. Geen staalgedonder, Fleischgewitter!’

De tijd uitwippen

Ferme taal voor een archivaris, want dat is Holtser. Van oorsprong is hij beeldhouwer, maar nu is hij voor de gemeente Amsterdam achter een bureau gezet om de over de aardbol geplaatste gedenktekens te inventariseren. We moeten maar niet al te streng kijken naar de aannemelijkheid van Holtsers opdracht; in de machinerie van de roman klopt het. Archiveren is natuurlijk de ultieme buitenstaanderspositie in een tijd van uiterste troebelen en we kunnen dan ook zonder veel omhaal stellen dat Holtser ermee het toonbeeld is van de kunstenaar die weinig tot geen enkele behoefte voelt om zich maatschappelijk te engageren. Liever zit hij (en wipt hij) zijn tijd uit. Hij is niet de enige die er zo in staat. De artistieke feestjes aan de Zomerdijkstraat laten zien dat er van Remco Camperts ‘heel Europa zoop en naaide’ eigenlijk ook al sprake was vóór de bevrijding.

Jongstra’s positionering krijgt een snuf peper met de reactie van de bezettende Duitsers op een door Holtser vervaardigd standbeeld van een aardappel: boos zijn ze. En dat terwijl er geen kwaad achter stak. Het beeld is een soort eerbetoon aan het gewone, een hart onder de riem voor ‘de Onbekende Overlever’ die het al zo lang zonder piepers moet stellen. Maar het beeld wordt, tja, toegeëigend eigenlijk, waardoor het opeens politiek ‘is’ en ook zo door de Duitsers wordt geïnterpreteerd.

Abstracte kunst

Jongstra heeft er misschien mee willen uitdrukken dat moderne, abstracte kunst voor een deel bestaat bij de gratie van het publiek dat er op reageert. Iets van: juist de woede over zoiets als een pindakaasvloer (Wim T. Schippers, red.) legt iets fundamenteels bloot in de cultuur. Je engageren als kunstenaar, dat doe je niet zelf, dat doet het publiek voor je.

Maar laten we niet doen alsof het Jongstra te doen is om het uitdragen van een boodschap. Zijn kracht zit hem in het doorlopend aanvoeren van malle anekdotes, nuchtere relativeringen en archivarische data die op het nippertje aan de vergetelheid zijn onttrokken en die tezamen dienen om één grote waarheid, één groot verhaal zo u wilt, bij te stellen. Als er een Amerikaanse soldaat voorbij galoppeert met een indianentooi op zijn hoofd, en Holtser hem ‘Winnetou!’ toeroept, luidt het antwoord: ‘They bombed the costume department of the theater! Isn’t war an opera!’ Een zin die met een uitroepteken eindigt, niet met een vraagteken.