Chinese studenten in Nederland geven, en ze nemen

Kennisoverdracht ’We moeten niet naïef zijn’ – waarschuwde het kabinet vorige week: via ons onderwijs zou kennis weglekken naar China. Zijn de Nederlandse universiteiten te goedgelovig? Academische vrijheid gaat hier voor screening van studenten.

Nederlandse universiteiten zien geen juridische basis voor een screening van Chinese studenten.
Nederlandse universiteiten zien geen juridische basis voor een screening van Chinese studenten. Foto Guus Schoonewille

„Waarom is het erg als er kennis naar China weglekt?” Xifan Cui barst in schaterlachen uit. De Chinese student Strategic Product Design aan de TU Delft (23 jaar, haar ‘Europese naam’ is Tracy) begrijpt de angst voor samenwerking met China niet. „Het idee van de universiteit is toch juist dat kennis wordt gedeeld en dat iederéén daar dan gebruik van kan maken?”

Toch zijn er zorgen over die kennisoverdracht, zo blijkt onder meer uit de China-nota die het kabinet vorige week naar buiten bracht. Die zet uiteen hoe Nederland met China wil omgaan op het gebied van handel, bedrijfsleven en onderzoek. Conclusie: Beijing is een belangrijke partner die we niet willen en mogen verliezen, maar we moeten wel oppassen.

China wil immers een dominante wereldspeler worden in hightech en hoogwaardige kennis, en heeft de weg daartoe strategisch uitgedacht. Dat blijkt uit overheidsplannen als Made in China en het voor onderwijs specifieke Double First Class Universities.

‘Onvoldoende bewust’

De nota gaat niet in op concrete gevallen van ongewenste kennisoverdracht, maar bevat wel expliciete waarschuwingen. China komt goed voorbereid: het weet wat het in Nederland aan kennis wil ‘halen’ en gaat daarvoor samenwerkingsverbanden aan op onderzoeksgebied.

Nederlandse universiteiten zijn zich onvoldoende bewust van die planmatige aanpak, en daardoor snel geneigd toe te geven aan de Chinese wensen, aldus het kabinet. Verder wijst de nota op risico’s van spionage en weglekken van kennis die (ook) militair kan worden toegepast.

Het is niet de eerste waarschuwing voor de rol van China in het Nederlandse hoger onderwijs. Inlichtingendienst AIVD wees in zijn jaarverslag over 2018 expliciet op Chinese spionage bij onderwijsinstellingen en het gebrek aan alertheid hierover.

Uit Australisch onderzoek bleek al dat Chinese militaire diensten grote groepen studenten uitzenden naar westerse universiteiten, waaronder de TU Delft. In de periode 2006-2017 verschenen meer dan tachtig peer reviewed papers met bijdragen van aan de TU verbonden studenten uit het Chinese leger.

Maar de Nederlandse China-strategie roept vooral vragen op. Op welke schaal vindt kennisoverdracht plaats? Is dat schadelijk? En zo ja, hoe kunnen universiteiten zich hiertegen wapenen? Een antwoord geeft de nota hier niet op.

Paradepaardjes

Om met de eerste vraag te beginnen: de afgelopen jaren is de wetenschappelijke samenwerking steeds hechter geworden. Nederlandse universiteiten zijn in trek bij Chinese studenten. Studeerden er in 2000 nog 185, in 2018 was hun aantal gegroeid tot 4.547.

De TU Delft gaat met 641 studenten aan kop. En niet alleen de stroom Chinese studenten groeit, ook het gezamenlijke onderzoek neemt toe. Paradepaardjes van de samenwerking tussen Delft en China zijn de Joint Research Centres: onderzoekscentra die de technische universiteit heeft opgezet met vier Chinese universiteiten.

De onderzoeksgebieden zijn niet toevallig gekozen. Het zijn stuk voor stuk terreinen waarop de TU Delft mondiaal een goede reputatie heeft. In watermanagement bijvoorbeeld. Want Nederlandse kennis van kustbescherming en moddervlaktes kan de Chinezen best van pas komen bij de ontwikkeling van de Jiangsu-kust, een gebied als de Waddenzee dat tussen Beijing en Shanghai ligt.

Chinezen die na hun studie in Nederland terugkeren – en dat doet het merendeel – hebben in eigen land dan ook een uitstekend baanperspectief.

Lees ook: Kabinet zet zich schrap tegenover China

Voordelige samenwerking

Ook voor Nederlandse universiteiten is de samenwerking met China aantrekkelijk, zowel financieel als wetenschappelijk. De Chinese zakken zijn diep, het land heeft flink geïnvesteerd in vooraanstaande onderzoeksinstituten en biedt meer mogelijkheden voor veldwerk dan Nederland.

Chinese studenten zijn een groeiende bron van inkomsten voor Nederlandse universiteiten. Betaalt een Nederlandse student jaarlijks 2.060 euro collegegeld, een Chinese student betaalt in Delft 10.384 euro (bachelor) of 15.575 euro (master). Volgend jaar worden die bedragen verhoogd naar 14.500 respectievelijk 18.750 euro.

De afgelopen jaren trokken diverse Nederlandse universiteiten naar China, voor uiteenlopende vormen van samenwerking. Zo zijn daar ‘papieren’ samenwerkingsverbanden als de Joint Research Centres, maar ook initiatieven om lokaal een eigen campus op te zetten. Een recent voorbeeld is het (mislukte) project van de Rijksuniversiteit Groningen, dat een dependance wilde openen in het Chinese Yantai.

Nederlandse academici zien over het algemeen vooral de voordelen van samenwerking.

Naïef Nederland

Nederlandse politici die praten over de Nederlands-Chinese betrekkingen, hebben het vaak over naïviteit. „We moeten zo min mogelijk naïef zijn”, zei Mark Rutte dit voorjaar na een EU-top. Hij doelde daarmee op de betrokkenheid van het Chinese Huawei bij nieuwe Nederlandse 5G-infrastructuur, waarbij zorgen bestaan over mogelijke Chinese spionage via die netwerken.

GroenLinks spoorde het kabinet aan „niet langer naïef” te zijn en een betere balans te vinden tussen handel en concurrentie, tussen koopman en dominee.

Zijn Nederlandse kennisinstellingen dan zo goedgelovig? Hebben ze niet in de gaten dat in Nederland verkregen kennis ongewenst naar het buitenland verdwijnt?

Nederlandse academici weerspreken dit. „Als al sprake was van naïviteit, dan zijn we die fase inmiddels voorbij,” zegt Marijk van der Wende van de Universiteit Utrecht. Als hoogleraar globalisering in het hoger onderwijs onderzoekt ze de ‘academische Zijderoute’: de gevolgen van de onderwijssamenwerking tussen China en Europa.

Waar een Nederlander voor 2.000 euro kan studeren, betaalt een Chinees zo 15.000 euro

„Het is niet zo dat we aan de lopende band Trojaanse paarden binnenhalen”, zegt Ingrid d’Hooghe, die als onderzoeker aan de Universiteit Leiden de risico’s van de samenwerking in kaart bracht. „Het merendeel van de projecten verloopt prima. Maar op sommige gebieden zijn er inderdaad flinke risico’s.”

Daarbij doelt ze op zogeheten dual use-toepassingen: kennis en technologie die zowel civiel als militair kan worden ingezet. Gezamenlijk onderzoek naar moddervlaktes mag onschuldig zijn, maar als het om nucleair onderzoek of kunstmatige intelligentie gaat, zou waardevolle kennis anders benut kunnen worden dan de wetenschapper heeft bedoeld.

„Het is belangrijk dat we het nu professioneel oppakken”, aldus Marijk van der Wende. „Welke instrumenten hebben we om kennisoverdracht te reguleren, en wat kunnen we aan voorwaarden opnemen voor onderzoeksfinanciers om te zorgen dat de kennisuitwisseling ook werkelijk wederzijds is?”

Academische vrijheid

Nederlandse universiteiten letten dus heus wel op, willen de academici maar zeggen. Toch zien zij het niet als hun taak om maatregelen te nemen tegen die ongewenste kennisoverdracht. „Het is primair de taak van de overheid om te zorgen dat er een veilige onderzoekssamenwerking met China kan plaatsvinden,” zegt d'Hooghe.

Daar komt bij dat Nederland de academische vrijheid hoog in het vaandel heeft staan. Onderzoek is openbaar, gericht op wederzijds (internationaal) voordeel en wederzijdse kennisoverdracht. Informatie is voor iedereen toegankelijk, vaak zelfs gratis. Inperking van die vrijheid zien Nederlandse onderzoekers niet zitten, blijkt uit gesprekken met vier academici die te maken hebben met de samenwerking tussen Nederland en China.

In China ligt dat beduidend anders. Universiteiten zijn er nauw verweven met de Communistische Partij, en de arm van die partij reikt ver. In 2017 oefende de regering druk uit op wetenschappelijke uitgeverijen Springer Nature en Cambridge University Press, bleek uit onderzoek van de Financial Times. Artikelen over politiek gevoelige onderwerpen als Taiwan en Tibet waren in China niet langer toegankelijk. Onderzoek van de Universiteit Leiden wees uit dat Chinese uitwisselingsstudenten met een overheidsbeurs verslag moeten uitbrengen aan de ambassade.

Zelfbewuster opstellen

Bovendien kunnen Nederlandse universiteiten moeilijk maatregelen nemen tegen ongewenste kennisoverdracht. Een universiteit kan studenten nu onder bepaalde omstandigheden weigeren, bijvoorbeeld als ze verdachte banden hebben met Noord-Korea. Om onderzoek te mogen doen naar nucleaire toepassingen of raketbouw, dienen studenten een ontheffing aan te vragen bij het ministerie van Onderwijs. Die voorwaarde mag de universiteit stellen vanwege de VN-sancties die Noord-Korea zijn opgelegd.

Studenten simpelweg weigeren op basis van hun nationaliteit mag niet. Een weigering van de TU Delft om Iraanse studenten toe te laten bij nucleair onderzoek, veegde de Hoge Raad in 2012 van tafel. Alleen „zeer gewichtige redenen” staan onderscheid op basis van nationaliteit toe, aldus het vonnis.

Niettemin meldde minister Stef Blok (Buitenlandse Zaken, VVD) de Tweede Kamer in maart dat hij vanwege „een recente casus” het toezicht op Iraanse studenten aanscherpt. Als grondslag voor de screening gebruikt hij een Europese sanctieverordening uit 2012.

Hoogleraar Van der Wende ziet op dit moment geen juridische basis voor een dergelijke uitgebreide screening van Chinese studenten. „Met alleen onderbuikgevoelens komen we er niet. We worden beïnvloed door de Amerikaanse retoriek, maar moeten niet vergeten dat daar door de handelsoorlog ook andere belangen spelen. Wíj houden China trots voor dat we een rechtsstaat zijn. Dan mogen we niet slordig worden in de behandeling van individuele studenten.”

„Nederland is geen staatsaangedreven maatschappij”, voegt de Leidse China-onderzoeker D’Hooghe daaraan toe. „Een strategie zoals de Chinese, waarbij de overheid bepaalt wat in het buitenland aan onderzoek moet worden ‘gehaald’, zie ik in Nederland niet snel gestalte krijgen. Daarvoor is de academische vrijheid een te groot goed.”

Het is primair aan de overheid om een veilige onderzoeksomgeving te scheppen, maar de verantwoordelijkheid ligt ook bij onderzoekers zelf, zeggen D’Hooghe en Van der Wende. Als voorbeeld noemt D’Hooghe een Nederlander die zijn onderzoek aan een Chinese universiteit afbrak. „Hij realiseerde zich dat het onderzoek gebruikt kon worden door de Chinese overheid om burgers met dissidente gedachten te identificeren.”

Volgens D’Hooghe wordt het steeds belangrijker dat onderzoekers zélf leren nadenken over de mogelijke toepassing van hun onderzoek. „Blijf samenwerken, maar blijf ook opletten. Door de deur dicht te gooien, doen we enkel onszelf tekort.”