Recensie

Recensie Boeken

Hanna Bervoets wordt met elk boek beter (●●●●)

Hanna Bervoets Hanna Bervoets perfectioneert haar literaire laboratorium met een verhaal over chronische ziekte.

Illustratie: Paul van der Steen
    • Thomas de Veen

Zoals we een verhaal pas als een verhaal beschouwen wanneer het een begin, middenstuk en einde heeft, zo vertellen we over ziektes. Ziekte is: van klacht naar diagnose naar ziekbed, en dan herstel en genezing, of verslechtering en de dood.

Maar dat is een ziekte niet altijd. ‘Wij worden niet beter maar we gaan ook niet dood – dat is geen verhaal, dat is geen scenario, een chronische toestand kent geen verloop en een chronische patiënt is geen strijder maar een zeurpiet’, parafraseert een personage op tweederde van Welkom in het rijk der zieken wat zij leerde van Susan Sontag, van haar beroemde beschouwingen over ziekte in het boek Illness as Metaphor (1978). De passage wijst rechtstreeks aan wat de zevende roman van Hanna Bervoets (1984) beoogt: een verhaal maken over chronische ziekte.

Die ziekte is hier Q-koorts, eigenlijk QVS (Q-koortsvermoeidheidssyndroom), dat de lijder eraan kreeg door contact met een besmette geit op een kinderboerderij – als het niet werkelijk zo ging, was het bijna grappig tragisch geweest. De zieke is Clay, een man van rond de veertig. Hij wordt in het verhaal over zijn ziektegeschiedenis aangesproken als ‘je’; Welkom in het rijk der zieken is grotendeels verteld in die wonderlijke vorm van de tweede persoon enkelvoud, van een je-verteller. Dat is altijd even wennen – vanwege de uitzonderlijkheid, én de dubbelzinnige betekenis. Want moet ik, de lezer, me aangesproken voelen: gaat het over mij? Of over ‘men’? Of spreekt er iemand tot Clay, en wie is dat dan?

Eén grote metafoor

Aan het einde van de roman heb je (heeft men) op die vraag nog geen volledig sluitend antwoord, maar dat stoort niet: gewend is het dan allang, en vertrouwd. Dat geldt evenzeer voor die andere experimentele vorm: Bervoets wisselt de ziektegeschiedenis af met hoofdstukjes die geheel uit dialoog bestaan, en waarin Clay in een soort virtual reality-wereld terechtkomt, het ‘rijk der zieken’. Ook dat is ontleend aan Sontag: ‘We zijn zowel burger van het rijk der gezonden als van het rijk der zieken. Hoewel we bij voorkeur alleen van het goede paspoort gebruikmaken, komt iedereen vroeg of laat gedwongen in dat andere rijk terecht, al is het maar tijdelijk.’ Als zieke betreedt Clay nu dat ‘andere rijk’, samen met een gids die Susan heet. Er staan pillenpakhuizen, er lopen identiek geklede figuren rond die hun lijf meezeulen over hun schouder, of achter zich aan slepen.

Lees ook over de jeugd van Hanna Bervoets: Van vaders was weinig te merken

Eén grote metafoor natuurlijk. Het is mooi om te kunnen constateren dat Bervoets die omgeving direct als een volstrekte vanzelfsprekendheid weet neer te zetten: dat zal haar ervaring met onalledaagse, sciencefictionachtige decors zijn. In eerdere romans – in Alles wat er was (2013) en Efter (2014) liepen de personages ook rond in ongewone werelden – wilden het concept en de karaktertekening nogal eens om aandacht strijden. Maar Bervoets wordt met elk boek beter. Inmiddels blinkt ze niet alleen uit in het neerzetten van werelden, maar vooral ook in de waarachtigheid van haar personages. Sciencefiction gaat toch vooral leven als er te midden van de kunstmatigheid nog menselijkheid voelbaar is. Het kunstmatige kader, het literaire laboratorium, is geen doel maar een middel.

Voor zo’n aanpak leent het onderwerp ziekte zich uitstekend – in ieder rijk der zieken is het een en al tragiek en ontregelende bevreemding. Neem de paradox van Clays euforie wanneer hij, na eindeloze onduidelijkheid, zijn diagnose krijgt: ‘QVS, QVS, het is of je de naam van een voormalig geliefde hoort, je borstkas klapt open bij herkenning van de klank maar slaat ook snel weer dicht wanneer je beseft dat de betekenis niet louter positief is: QVS is iets ernstigs. Maar: het is iets.’ En de queeste die Clay en Susan in het rijk ondernemen is het verkrijgen van een karretje, waarop Clay zijn lijf kan leggen. Futiel eigenlijk, maar het karretje is tenminste een concreet doel dat de zieke (hoop op) verlichting kan bieden. Al stuiten ze ook op de bureaucratische kastje-naar-de-muurtragiek waaraan je in de medische zorg niet ontkomt.

Liefde en genegenheid

Zo barst het van de treffende waarnemingen en constateringen over het leven van de zieke. We zien hoe Clay zijn voet extra laat slepen, om te voorkomen dat anderen zijn pijn bagatelliseren (‘je wilt dat ze weet dat je je niet aanstelt en daarom stel je je soms aan’), hoe de mogelijkheden voor seks afnemen, hoe verhoudingen eronder lijden.

Lees ook de recensie van Fuzzie uit 2017: Hanna Bervoets slaagt met haar wonderlijke experiment

Daarmee ontstijgt de roman gaandeweg het ziekte-thema, wat ook wel móést, want chronische ziekte is nou eenmaal geen verhaal. Dat ga je je wel steeds meer afvragen: of de roman niet lijdt onder de fundamentele ongeschiktheid van het onderwerp voor een ‘rond’, compleet verhaal. Maar terwijl die vraag zich opdringt, blijft wat Clay meemaakt boeien. Het gaat over hém: dat hij weigert te accepteren dat genezing noch dood een optie zijn, dat zijn ziekteverhaal niet rond zal komen.

Die verschuivende nadruk, die gelaagdheid in het verhaal (je kunt er ook een voortdurende dialoog met Susan Sontags beschouwingen in lezen), tekent Bervoets’ steeds groter wordende finesse en diepgang. Het lijkt in haar oeuvre almaar minder te gaan om het experimenteren, en meer om het portretteren van liefde en genegenheid tussen mensen, en wat hen in de weg kan staan. Het meest van Welkom in het rijk der zieken beklijft daarom het slotdeel, waarin je ziet wat Clays weigering betekent om de oneindigheid van zijn ziekte te onderkennen. Hij keert zich af van de wereld. En niet de ziekte neemt hem dan het laatste af wat hij nog heeft, maar hijzelf. Een chronisch zieke moet ergens toch een strijder blijven.