Opinie

Zwart ijs

Marcel van Roosmalen

Ik liet tijdens het ontbijt een foto zien die Theo Janssen op Instagram had gezet. Hij en zijn vriendin Linda stonden op een plateau van glas dat aan de toren van de Eusebiustoren was gehangen, de stad Arnhem onder hun voeten. Voor we het wisten zaten we in de auto voor een dagje Arnhem. Jip & Janneke uit de speakers, we hoorden ze met uithalen meezingen. We haalden koffie bij het benzinestation, ik knoeide koffie over haar broek, er was een knuffel die consequent op de grond werd gegooid, ik genoot toen bij Wageningen de eerste bossen opdoken.

De zon scheen.

We parkeerden bij Rozet, de prachtige bibliotheek.

We beklommen het aardvarken, een dertig meter lang en negen meter hoog betonnen dier dat Burgers’ Zoo aan de stad schonk. Ik zei dat ik over de onthulling destijds een stukje had geschreven.

Mijn oudste dochter, ze is bijna vier: „Papa, hou je mond.”

Over de tweehonderd meter naar de Eusebiustoren deden we een uur. Altijd weer die onderschatting van hoe langzaam het gaat met twee kleine kinderen. Bij ijssalon Buongiorno stortte de oudste zich heel melodramatisch naar de grond.

Het was een familiebedrijf. „Wij maken alle ijs zelf”, zei meneer. Ik bestelde Vitesse-ijs voor de kinderen, geel met zwart.

Meneer was trots en zei dat ze een van de eerste ijsmakers in Nederland waren die zwart ijs kon maken.

„Zwarte vanille”, herhaalde ik. „Hoor je dat, schat? Zwarte vanille.”

„Toe maar”, zei de vriendin, die een beetje moe werd van mijn Arnhem-promotie.

„Wat zit erin, behalve vanille?” vroeg ik.

„Horeca-houtskool”, zei meneer. „Heel gezond voor de darmen. Je kunt het ook bij de apotheek krijgen, voor als je aan de dunne bent. Nou dat stampen wij dan fijn. Daar krijg je heel mooi zwart van.”

De dochters hadden zwarte gezichtjes van de Norit, de vriendin kreeg het er met geen servetje afgepoetst. Daarna gingen we de Eusebiustoren in. Voor we het wisten stonden we op een van de glazen plateaus. We hielden elkaar vast van de hoogtevrees, maar onze dochters sloegen van opwinding tegen het glas. God, wat wilden we graag naar beneden, maar we waren de enigen niet.

„Wat zijn jullie een lieve meisjes”, zei een vrouw met wie we samengepakt op de belvedère stonden.

„Wij zijn jongens!”, riep mijn oudste dochter verontwaardigd, „Wij zijn jongens want wij hebben baarden!”

„Nee, jullie zijn meisjes”, zei de vrouw.

Ze probeerde via mij haar gelijk te halen: „Papa, zeg er eens wat van.”

Ik stond met mijn rug tegen het beton en wilde alleen nog maar de lift in, later die middag moesten we ook nog met mijn moeder naar een Chinees restaurant.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.