‘We moeten basta zeggen tegen Salvini’

Antonella Bundu In Florence heeft een zwarte vrouw zich kandidaat gesteld voor het burgemeesterschap. ‘Iedereen roept van alles tegen buitenlanders.’

„Hoe het is om zwart te zijn in Italië?” Antonella Bundu, kandidaat-burgemeester in Florence, geeft een voorbeeld. Ze had wat besteld en de bezorger belde aan. „Ik deed open en toen vroeg die man: ‘Is de signora thuis?’ Ik antwoordde: ‘De signora, dat ben ik.’ ”

Ze vertelt het niet boos, maar wel strijdbaar. „In Italië worden zwarte mensen automatisch geassocieerd met het laagste sociale niveau. Ze plukken tomaten of verzorgen ouderen. Als ik in de rij sta bij de bank, zeggen ze tegen iedereen signora en ‘u’, en als ik aan de beurt ben zeggen ze ‘jij’. Het gaat automatisch”, zegt ze. „Het is de mentaliteit.”

De 49-jarige Bundu is een symbool in Italië. Ze is de eerste zwarte vrouw in Italië die kandidaat is voor het burgemeesterschap van een grote stad. In haar geval Florence, de stad van haar moeder, de stad waar ze is geboren en waar ze na omzwervingen in Sierra Leone, het land van haar vader, en Liverpool als 18-jarige weer naar is teruggekeerd. Haar kandidatuur is bedoeld als een protest tegen het groeiende aantal racistische uitspraken, tegen het gescheld en geweld waarvan buitenlandse immigranten slachtoffer worden.

Op een terrasje op de piazza Santo Spirito in Florence vertelt Bundu hoe ze kandidaat is geworden. Ze heeft geen bestuurlijke ervaring, maar doet wel mee met allerlei linkse politieke acties. Op een bijeenkomst een paar maanden geleden moest ze, improviserend, zeven minuten praten over het woord ‘zwart’. Dat sloeg zo aan dat drie kleinere linkse partijen, die hadden besloten verzet tegen het groeiende racisme voorrang te geven boven hun traditionele ideologische scherpslijperij („een klein wonder”) haar uitnodigden hun kandidaat te zijn.

„Ik voelde dat ook als een plicht”, vertelt Bundu. „Er is een gevaarlijk klimaat aan het ontstaan in dit land. Er zijn geen remmen meer, mensen roepen dingen waarvoor ze zich vroeger zouden hebben geschaamd.” Nog een voorbeeld: een paar weken geleden werd haar neef, ook gekleurd, bij een bushalte bedreigd en aangevallen. „Midden op de dag! Op een drukke plek! De mensen zijn niet bang meer, ze weten dat zulk gedrag niet meer wordt bestraft.”

Racisme, discriminatie, geweld tegen buitenlanders: het is niet nieuw, maar het is wel normaler geworden. Zij rekent dat Matteo Salvini aan, de Italiaanse vice-premier die van verzet tegen migranten zijn belangrijkste programmapunt heeft gemaakt. Salvini heeft het racisme „sdoganato” – letterlijk: uitgeklaard bij de douane, maar ook: uit de taboesfeer gehaald. „Iedereen voelt zich gerechtigd om van alles te roepen tegen buitenlanders. Salvini doet het toch ook?”

Salvini is niet de enige. In het kielzog van zijn succes zijn ook andere politici, zoals Giorgia Meloni van de kleine rechtse partij Broeders van Italië, hardere taal gaan gebruiken. Uiterst rechtse groepen als Forza Nuova en Casa Pound zoeken vaker de schijnwerpers op. „Het is tijd om basta te zeggen”, zegt Bundu.

Maar een echt gemeenschappelijk front links van Salvini is er niet, want de centrum-linkse Democratische Partij (PD) heeft een eigen kandidaat, de zittende burgemeester, Dario Nardella. De PD heeft tandenknarsend moeten toekijken hoe de Lega vorig jaar in traditioneel ‘rode’ Toscaanse steden als Siena en Pisa heeft gewonnen, maar hoopt met Nardella in Florence de Lega van zo’n coup af te houden. Had Bundu dan ook niet beter de krachten kunnen bundelen met de PD? „Wij zijn het enige echte linkse alternatief’’, is haar antwoord. Ze vindt bijvoorbeeld dat Nardella door de knieën is gegaan bij het besluit van de prefect om, zoals ook elders in Italië, zogeheten „rode zones’’ in te stellen. Dit zijn drukke gebieden in een stad waar harder wordt opgetreden tegen ‘overlast’ – en dat begrip wordt ruim geïnterpreteerd. Wie hier wordt betrapt op bijvoorbeeld straatverkoop, slapen op de grond of drugs, mag drie maanden niet meer in dat gebied komen. „Dat gaat vaak in tegen de grondwet. En wie is vaak het slachtoffer? Precies.’’ Ook vindt ze dat het huidige stadsbestuur zich in het beleid ten aanzien van toerisme (met vijftien miljoen bezoekers per jaar de belangrijkste bron van inkomsten van Florence) teveel laat leiden door wat de middenstand wil. „We moeten daar anders mee omgaan. Dan hebben we niet van die onzinnige verboden nodig als dat je in bepaalde straten in het centrum niet stil mag staan om een broodje te eten. Bovendien moeten we ons er veel meer op richten om van Florence een open stad te maken, een stad die met zijn tijd meegaat en niet alleen maar leeft van wat ons vijfhonderd jaar geleden is nagelaten.”

Na het gesprek stapt Bundu weer op de fiets. Even verderop is een campagnebijeenkomst, waarop een klein college kunstgeschiedenis wordt gekoppeld aan politieke redevoeringen. Ze vertelt dat het campagnevoeren haar zwaar valt. De peilingen zijn niet in haar voordeel. „Maar we moeten ons verzetten. Een paar jaar geleden stelde de Lega hier in Florence nog niets voor, nu staan ze op 20, 25 procent.”

Ze kijkt al uit naar zaterdag, traditioneel een politieke rustdag. Bundu hoopt dan haar hoofd helemaal leeg te maken met de befaamde ‘Passatore’: een ultramarathon, honderd kilometer van Florence naar Faenza, af te leggen binnen 24 uur. Het is de derde keer dat ze meedoet. „Zwaar? Ja, vooral psychologisch. Maar het geeft een enorme spirituele kracht.”