De Franse dichter, rapper en theatermaker Abd Al Malik

Foto Fabien Coste

‘Ik wil de taal van het zwarte lichaam laten spreken’

Interview De Franse dichter, rapper en theatermaker Abd Al Malik gebruikte een schilderij uit 1848 voor een voorstelling over hoe een jonge zwarte man zou opgroeien in het huidige Frankrijk.

Het is een wonderlijk doek, Jonge zwarte met zwaard, geschilderd in het revolutiejaar 1848 door de symbolist Pierre Puvis de Chavannes. Tot 21 juli hangt het in Musée d’Orsay op de veelbesproken tentoonstelling over ‘zwarte modellen’ in de Franse kunst. We zien, voor een decor waar strijd lijkt te zijn geleverd, de blik van een kind boven een haast volwassen lichaam, een zwaard nonchalant over de schouder. Fransen zal ook het kleurgebruik opvallen. Niet bleu-blanc-rouge, de kleuren van de in 1848 definitief in gebruik genomen revolutionaire vlag, maar bleu-noir-rouge: de jongen zit op een blauwe doek en draagt een rode muts. Daartussen zijn zwarte lijf.

Lees ook de recensie van de tentoonstelling over zwarte modellen in Musée d’ Orsay

„Dat beeld heeft me geraakt”, vertelt de Franse dichter, rapper en theatermaker Abd Al Malik. Hij kreeg het te zien toen het museum hem vroeg bij de expositie een voorstelling te maken. „Ik was net met een nieuw project bezig: ik wilde een lang gedicht over identiteit schrijven”, zegt hij onder de gouden kroonluchters van het museumrestaurant. „Toen ik dit zag, viel alles op zijn plaats. Je ziet een figuur die niet gedomineerd of vernederd wordt. Hij is zwart, maar hij had elke kleur kunnen hebben. De huidskleur lijkt er zelfs niet toe te doen. Het toont het universele dat kunstenaars kunnen overbrengen.”

Het schilderij werd het uitgangspunt voor een voorstelling met dezelfde titel. Le Jeune Noir à l’épée ging begin april in het museum in première en is 12 juni op het Holland Festival te zien. Het is een ietwat hybride stuk: Malik rap-declameert zijn beukende poëzie over identiteit, politiegeweld en blikken van anderen tegen een projectie van foto’s van werken uit de tentoonstelling. Vier zwarte mannen dansen een intrigerende choreografie van de Burkinees Salia Sanou: „Ik wilde de taal van het zwarte lichaam laten spreken”, zegt Malik daarover. De modellen van de expositie krijgen zo een plaats in het moderne Frankrijk van banlieues, ongelijkheid en met de mond beleden universalisme. Hij probeert zich voor te stellen in welke context de ‘jonge zwarte met zwaard’ nu zou opgroeien.

Pierre Puvis de Chavannes, Jeune Noir à l’épée, 1848-1849. Olieverf op doek, 105 × 73 cm.

Foto Musée d’Orsay/ Patrice Schmidt

Als iemand zoiets kan, dan is hij het. Abd Al Malik is een ster in Frankrijk en voor de welwillende culturele elite het levende bewijs dat het opwaartse republikeinse model – dat op papier zo vaak kaduuk verklaard wordt – toch nog iets te bieden heeft. Veel Franse succesvolle rappers danken hun carrières aan schoppen tegen de republiek en haar iets al te opdringerige ‘Leitkultur’. Malik heeft die dominante cultuur met zijn nette en verstaanbare luisterrap, bol van verwijzingen naar literatuur en het Franse chanson, juist omarmd. Hij noemt zichzelf een „homme-passerelle”, een menselijke brug tussen twee werelden. Net zo makkelijk opereert hij tussen woonkazernes in de banlieue als in de gouden salons van Parijs. „Wat ons bindt, is dat we emoties hebben, dat we menselijk zijn”, zegt hij. „Kunst, gevoed door cultuur, staat complexiteit toe.”

Dyslexie

Malik werd als Régis Fayette-Mikano in 1975 geboren in Parijs, woonde kort in het Congo van zijn ouders en groeide daarna op in Straatsburg met zijn moeder en vijf broers en zussen in een sociale huurwoning in de onstuimige cité Neuhof. Hij schurkte tegen de kleine criminaliteit aan en bekeerde zich jong tot de islam. Een lerares ontdekte, ondanks dyslexie, zijn gevoel voor taal en zorgde ervoor dat hij met een beurs de wijk uit kon en een goed katholiek privé-lyceum kon volgen. „De jonge Abd Al Malik heeft geluk gehad”, zegt hij. „Maar het zou niet zo moeten zijn, dat je geluk hebt. Wat was er van mij geworden als ik die lerares niet ontmoet had?”

Al op zijn dertiende vormde hij met een oudere broer de tamelijk succesvolle hiphopformatie N.A.P. (New African Poets), bekend van het album La Racaille sort 1 disque (het tuig brengt een plaat uit). Zijn grote doorbraak kwam met zijn tweede soloalbum Gibraltar in 2006, waarvan ook nummers in de voorstelling zitten. Hij werkte ervoor samen met de vorig jaar overleden Gérard Jouannest, de legendarische pianist van Jacques Brel en Juliette Gréco. Het nummer ‘Les Autres’ („De anderen, de anderen, ik ben het niet, het zijn de anderen”) is een moderne variant op Brels ‘Ces gens-là’. Hij maakte een voorstelling over Albert Camus en noemt Baudelaire en de Martinikaanse négritude-denker Édouard Glissant inspiratiebronnen. Dit najaar komt hij met een theaterbewerking van Camus’ De Rechtvaardigen. Op eigen wijze: met amateur-acteurs uit de banlieue en van een prestigieuze school in Parijs.

Dubbele identiteiten

Alles draait om „dialoog”, zegt hij bij herhaling. Kunst, zoals de zijne, maar ook het schilderij van de jongen met het zwaard, kan mensen samenbrengen. „Faire peuple”, noemt hij dat: een volk maken. „We leven in een geracialiseerde tijd, waarin huidskleur een belangrijk onderscheidend punt is geworden. We denken dat het een oplossing is om je terug te trekken in je eigen identiteit.” Dubbele identiteiten, in Angelsaksische landen tamelijk gewoon, zijn in de assimilatie-traditie van de Franse republiek verdacht. Ook voor Malik, Franser dan Frans. „Noem me niet Frans-Congolees. Ik ben volledig Frans, maar mijn wortels zijn Congolees”, zegt hij.

Vraag is of die Franse subtiliteiten bij een Nederlands publiek overkomen, ondanks taalbarrières en een meer multiculturele traditie. Hij maakt zich geen zorgen, zegt hij. Zijn poëtische teksten zijn krachtig genoeg. „En ik wil ook een beeld geven van het moderne Frankrijk. Op het podium staan louter Fransen, ze zijn allemaal zwart. Dat is misschien niet wat mensen verwachten. Maar ik denk dat ik net zoveel van Frankrijk houd als die man met die baret op zijn hoofd en een baguette onder de arm. Misschien wel meer zelfs. Want hij leeft in een droom van het verleden, van een Frankrijk dat niet meer bestaat.”

Le Jeune Noir à l’épée van Abd Al Malik. 12 juni in het Muziekgebouw, Amsterdam