Ze verstevigde de oevers niet voor Waternet

Deze rubriek belicht elke week kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Ditmaal: fiscaal recht.

Foto iStockphoto

De weilanden van haar melkveebedrijf grenzen aan watergangen van Waternet, de gemeenschappelijke organisatie van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht en de gemeente Amsterdam. Om afkalving van de oever te voorkomen, plaatst ze betonnen veeroosters. Hiervoor krijgt de boer een eenmalige aanlegvergoeding op grond van de stimuleringsregeling natuurvriendelijke oevers van Waternet.

Dan legt de Belastingdienst een naheffing op en de zaak komt bij de rechter. Daar ligt de vraag voor of de omzetbelasting over de aanlegvergoeding voor aftrek in aanmerking komt. De vrouw meent van wel: zij stelt dat er geen omzetbelasting over betaald moet worden omdat zij onder meer geen overeenkomst heeft gesloten met Waternet en de aanleg niet afdwingbaar was.

De fiscus meent dat wel sprake is van een overeenkomst tussen boer en Waternet: „De vergoeding voor de aanlegkosten van de oevers die de vrouw heeft ontvangen, houdt rechtstreeks verband met de reële waarde van de prestatie.” Bovendien is Waternet gebaat bij goede oevers en ‘verbruikt’ dus de geleverde prestatie.

De rechter vindt het niet doorslaggevend of er een overeenkomst was. Belangrijker is dat „er geen sprake is van een verbintenis die Waternet een voordeel oplevert” waardoor de organisatie „als verbruiker van een dienst” kan worden aangemerkt”. De rechter wijst erop dat het Waternet gaat om het algemeen belang. „Het onderhoud van de oevers en het voorkomen van afkalving is een taak” van de boer; die neemt geen taak over van Waternet. De vergoeding is niet belast. In rekening gebrachte omzetbelasting mag worden afgetrokken.

Uitspraak: ECLI:NL:RBGEL:2019:2083