Recensie

Recensie Beeldende kunst

Succes en schaamte in de Hollandse zeevaart

Het ongemak in het succesverhaal van de Hollandse zeevaart laat zich moeilijk visualiseren, zo blijkt uit de nieuwe vaste opstelling van het Scheepvaartmuseum.

Kaart van Azië met een gedeelte van Afria en de Indische Oceaan
Kaart van Azië met een gedeelte van Afria en de Indische Oceaan Foto Scheepvaartmuseum
    • Bram de Klerck

Omstreeks 1676 schilderde Ferdinand Bol een portret van admiraal Cornelis Tromp. Het werk hangt nu in de geheel vernieuwde nieuwe vaste opstelling van het Scheepvaartmuseum in Amsterdam. De zelfverzekerd poserende Tromp is gekleed in een harnas en heeft de handen uit de ijzeren mouwen gestoken. Rechts naast hem is het bovenlichaam te zien van een veel kleinere figuur, die de gepluimde helm van de zeeheld draagt. Hij heeft een donkere huidskleur: een Afrikaanse bediende. Naast commandostaf, zeekaart en globe, is hij weinig meer dan een levend attribuut van de faam en welvaart van de hoofdfiguur.

Opvallend genoeg kent het bijschrift aan beide figuren in het schilderij een zelfde belang toe: Portret van Cornelis Tromp en een onbekende man. Hoe weinig historisch verantwoord ook, de benaming zet wel aan het denken over de manier waarop mensen destijds letterlijk konden worden weggezet. Het illustreert ook de manier waarop het Scheepvaartmuseum de maritieme geschiedenis van de Nederlanden op een genuanceerde manier wil tonen, met aandacht voor keerzijden als ongelijkheid, slavernij en kolonialisme. Het militaire en commerciële succes van de Republiek der Nederlanden staat dan ook niet centraal, en de term ‘Gouden Eeuw’ wordt vermeden.

Het motto ‘water verbindt werelden’ legt andere accenten. Zo’n vijftig kunst- en gebruiksvoorwerpen uit de zeventiende en achttiende eeuw, zoals portretten, een kanon, en schilderijen van zeeslagen, en vissers- en koopvaardijschepen, illustreren de rol van de scheepvaart in de tijd van de Hollandse expansie over de wereldzeeën. Een tweede presentatie, die de komende jaren een verdieping hoger in het museum te zien is, richt zich meer op het avontuur en de ontdekkingen. Plattegronden en routekaarten leidden de Oost- en West-Indische compagnieën naar verre streken in onder meer het huidige Indonesië, Zuid-Afrika en Japan. Een mooie presentatie van wandvullende vitrines laat zien wat de zeelui zoal aan tastbare en geschreven herinneringen opdeden: porselein uit China, bijvoorbeeld, een verondersteld geneeskrachtige bezoar (een steen uit de maag van een geit), maar ook een zilveren tabaksdoos die ene Jan Janz in 1761 terug in Amsterdam liet maken. Ter herinnering aan zijn reizen is er een voorstelling in gegraveerd van schepen voor de kust van Batavia.

Een porseleinen beeldje van een Afrikaanse man dat omstreeks 1720 in China moet zijn gemaakt voor een Europese klant, brengt de aandacht weer terug naar het ongemak. Het werk illustreert mooi hoe water werelden verbindt, en allerlei curiositeiten oplevert. Maar het feit dat de karikaturaal weergegeven man een cornucopia vasthoudt – de hoorn van de westerse overvloed – en zelf een slavenband om de hals draagt, is van een pijnlijke ironie. In andere gevallen blijkt het minder eenvoudig de nuance van het succesverhaal in beeld te brengen. Kunstobjecten uit de tijd zelf maken de keerzijde nu eenmaal zelden expliciet. Het perspectief moet dan komen van de toelichting, zoals in het geval van het portret van Cornelis Tromp en zijn onbekende metgezel. Of bij een schilderij dat Frans Post omstreeks 1650 maakte van een Braziliaans landschap, waar wordt vermeld wat je nu juist niet ziet: de 25 duizend slaven die moesten werken voor Nederlandse kolonisten.