Met dictators naar de film

Boek Auteur Peter Demetz publiceerde op zijn 96ste zijn eerste boek over film: het onderhoudende en leerzame ‘Diktatoren im Kino’, over de filmkunst onder totalitaire regimes.

De Italiaanse dictator Benito Mussolini (links) bij een bezoek aan een filmset. Het Italiaanse fascisme stond open voor moderne communicatiemiddelen zoals film.
De Italiaanse dictator Benito Mussolini (links) bij een bezoek aan een filmset. Het Italiaanse fascisme stond open voor moderne communicatiemiddelen zoals film. Foto Time Life Pictures

Met Diktatoren im Kino heeft Peter Demetz voor het eerst een boek over film gepubliceerd, op zijn 96ste. Demetz (Praag, 1922) is als literatuurwetenschapper gespecialiseerd in Duitse literatuur. Bij een breder publiek is hij vooral bekend van zijn cultuurgeschiedenis van de hoofdstad van zijn voormalige vaderland: Prague in Black and Gold (1997).

Demetz groeide op in de Tsjechische provinciestad Brno en maakte daar de bezetting door het Derde Rijk mee. Hij behoorde tot de studenten die protesteerden tegen de communistische machtsovername van Tsjecho-Slowakije in 1948. Hij vluchtte naar het Westen en werd uiteindelijk hoogleraar germanistiek aan de Amerikaanse universiteit Yale.

De geschiedenis die hij beschrijft in Diktatoren im Kino is voor een belangrijk deel dus ook zijn eigen geschiedenis. Maar als auteur behoort Demetz tot een generatie die zeer spaarzaam omspringt met persoonlijke informatie. Hij vermeldt in zijn boek weliswaar dat zijn Joodse moeder een gevangene was in concentratiekamp Theresienstadt, maar niet dat ze daar is omgekomen. Demetz begint zijn boek met fraaie herinneringen aan de bioscopen van zijn jeugd, maar hij beperkt zich vervolgens tot de hoofdzaak van zijn boek: de houding ten aanzien van film van vijf totalitaire machthebbers: Lenin, Stalin, Mussolini, Hitler en Goebbels – de laatste was de machtige propagandaminister van het Derde Rijk.

Over de rol van film en propaganda onder totalitaire regimes is veel geschreven, maar de brede aanpak van Demetz is nog steeds bijzonder. Hij behandelt zowel het communisme als het fascisme en het nationaal-socialisme. Zijn veelomvattende, essayistische blik maakt zijn boek zeer leesbaar, maar gaat onherroepelijk enigszins ten koste van diepte. Toch valt er van Diktatoren im Kino veel te leren.

Zowel de communistische als fascistische regimes waren diep doordrongen van het belang van film voor de ideologische vorming van de bevolking. Lenin noemde film voor de bolsjewieken „de belangrijkste van alle kunsten”. Film had het vermogen om de massa te bereiken in het Sovjet-imperium, waar drie van de vijf mensen analfabeet waren. In Mussolini’s Italië was een derde van de bevolking analfabeet.

Dat wil overigens niet zeggen dat alle films opzichtig doordrongen waren van ideologie. Propagandaminister Goebbels was een sluwe manipulator die besefte dat hij het volk ook aan zich moest binden met vermaak. Directe propaganda in films was een uitzondering. Het overgrote deel van de films die zijn gemaakt tijdens het Derde Rijk had geen evidente politieke of ideologische lading. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat zulk vermaak onschuldig was. Ook die films droegen bij aan de stabilisering van het regime.

Turf steken

De belangstelling van dictators ging in de eerste plaats uit naar bioscoopjournaals – niet zozeer naar speelfilms. Lenin had zelfs helemaal geen interesse voor speelfilms („nutteloos”). Hij raakte alleen opgewonden van voorlichtingsfilms, die konden bijdragen aan de modernisering van het Russische imperium, zoals een documentaire over moderne manieren om met hoge druk turf uit de grond te halen.

Het Italiaanse fascisme stond aanvankelijk veel meer open voor moderne communicatiemiddelen zoals film. Een open debat over de mogelijkheden van de nieuwe filmkunst bleef in Italië mogelijk, anders dan in Duitsland. Een groot deel van de infrastructuur waarvan de Italiaanse film ook na de oorlog profiteerde – het filmfestival van Venetië, filmstudio Cinecittà – ontstond tijdens het fascisme. Demetz gaat helaas niet in op de gevoelige kwestie in hoeverre de bloei van de Italiaanse cinema na 1945 mede op het conto valt te schrijven van de erfenis van de fascistische staat.

Bij de nationaal-socialisten – vooral bij Hitler – was het wantrouwen tegenover film aanvankelijk groter. Bioscopen waren een symptoom van moderne, grootstedelijke, joodse decadentie; even afkeurenswaardig als de modernistische kunst. Hitler hechtte als sociale streber die omhoog wilde komen in de wereld vooral waarde aan de kunstvormen met veel traditioneel prestige; Wagners muziekdrama voorop.

In de jaren twintig draaide Hitler bij, mede door de invloed van Eva Braun. Hij ontwikkelde zich tot een groot bewonderaar van Laurel en Hardy, Greta Garbo en Marlene Dietrich (voor haar vertrek naar de VS). Demetz typeert Hitler als een naïeve, onkritische filmkijker, die zich vooral wilde identificeren met de held van de film. Hij was diep onder indruk van de Amerikaanse western Viva Villa! (1934). Wallace Beery speelt daarin de Mexicaanse generaal Pancho Villa, een mythische volksheld die in opstand komt tegen een decadent regime. Zo zag ook Hitler zichzelf graag. Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog keek ook Hitler nauwelijks meer naar speelfilms. Hij inspecteerde wel nog het bioscoopjournaal, dat wekelijks twintig miljoen Duitsers bereikte.

In de chaotische machtsstructuur van het Derde Rijk gaf de mening van de Führer lang niet altijd de doorslag. Zo besloot Goebbels als censor om Viva Villa! met de schietgrage rebel niet vrij te geven; dat was volgens hem „politiek te gevaarlijk”. In de Sovjet-Unie lag dat anders. Vanaf het einde van de jaren dertig boog Stalin zich persoonlijk over filmscenario’s, die hij van kanttekeningen voorzag, hij bemoeide zich met de keuze van acteurs en eiste hermontages van films die hem niet bevielen.

Hitler en Mussolini lieten zich nooit direct door acteurs vertolken in films. Hun voorkeur ging uit naar films over roemrijke figuren uit de geschiedenis van het vaderland, die impliciet als voorloper en evenbeeld van de charismatische leider konden gelden. Stalin was daar ook wel van geporteerd: bij Eisenstein bestelde hij een film over tsaar Ivan de Verschrikkelijke. Maar in de Sovjet-Unie zijn ook 18 speelfilms gemaakt met Lenin in de hoofdrol en 30 met een hoofdrol voor Stalin.

Stalin bepaalde persoonlijk welke acteur hem mocht spelen. Zijn voorkeur ging uit naar een acteur die vlekkeloos Russisch sprak. Stalin geneerde zich voor zijn Georgische accent. Zulke persoonlijke eigenaardigheden van de machthebber konden bepalend zijn voor carrières en zelfs voor levens. Daarin onderscheidden de totalitaire dictaturen zich dan weer niet van elkaar.

Peter Demetz. Diktatoren im Kino. Lenin - Mussolini - Hitler - Goebbels - Stalin. Paul Zsolnay Verlag, 255 blz. 24 euro