Aanpak van ‘vergeten’ broeikasgas kan klimaatklapper opleveren

Broeikasgas Drie fabrieken op chemisch complex Chemelot stoten samen de bulk van het industriële lachgas in Nederland uit. Dat kan drastisch minder. Jarenlang greep niemand in.

Het petrochemische complex Chemelot in Geleen, Limburg.
Het petrochemische complex Chemelot in Geleen, Limburg. Foto Rob van Dullemen

De fabriek lijkt een pluizige graspol, maar dan van staal: een wirwar van sprietige schoorstenen, buizen en kolommen voor vloeistoffen en gas. Hier worden al bijna vijftig jaar de grondstoffen gemaakt voor het fijne, vormvaste plastic dat vooral bekend is van legosteentjes.

Wat hier niet in staat: deze acrylonitrilfabriek stoot jaarlijks grote hoeveelheden lachgas uit. De fabriek is waarschijnlijk zelfs de op een na grootste industriële uitstoter van lachgas in Nederland.

Lachgas is een sterk broeikasgas, veel sterker dan CO2 of methaan. Waarschijnlijk begon de uitstoot al toen de fabriek in 1969 werd gebouwd. De broeikasuitstoot van de acrylonitrilfabriek is vergelijkbaar met die van een kleine raffinaderij of elektriciteitscentrale. En die informatie is decennialang buiten beeld gebleven, zo blijkt uit onderzoek van NRC.

Dat een acrylonitrilfabriek lachgas uitstoot, zou geen verrassing moeten zijn. Het staat in veel vakliteratuur. Toch werd de uitstoot van de Anqore-fabriek, die sinds vier jaar in handen is van DSM en private-equitybedrijf CVC Capital Partners, decennialang niet gemeten.

Pas in 2017 werd een meting gedaan waarbij de uitstoot ontdekt werd. Chemelot deed een melding bij de provincie Limburg, maar gaf er verder geen ruchtbaarheid aan. De uitstoot van lachgas is niet aangepakt, en gaat door, tot op de dag van vandaag.

En dat is wettelijk toegestaan.

De acrylonitrilfabriek van Anqore op Chemelot is nu in groot onderhoud. De fabriek stoot veel lachgas uit. Foto Rob van Dullemen

Want: er zijn geen regels, en nauwelijks financiële prikkels, om de industriële uitstoot van lachgas te beperken. Op Chemelot staan nog twee andere bedrijven die lachgas uitstoten. Samen vormen de acrylonitrilfabriek, de caprolactamfabriek en de salpeterzuurfabriek op het terrein ’s lands grootste industriële bron van lachgas.

Klimaatregelen Urgenda-zaak

Dat wordt al tien jaar lang niet minder, maar de overheid keek er al die tijd niet of nauwelijks naar om. Pas nu het kabinet snel klimaatmaatregelen moet nemen vanwege de Urgenda-zaak, is het ineens een actueel probleem geworden.

Industriegebied Chemelot, ingeklemd tussen Sittard en Geleen, is een ingewikkeld complex met een lange geschiedenis. In de jaren dertig werd hier de eerste chemische fabriek gesticht naast een steenkoolmijn, om het gas uit de cokesoven nuttig te verwerken.

Na de mijnsluitingen gingen de fabrieken van De Staatsmijnen als chemiebedrijf DSM een nieuwe toekomst tegemoet. Op het terrein worden al ruim een halve eeuw kunstmest en allerlei chemicaliën gemaakt, vooral voor plastics. Nylon, polyetheen, melamine, enzovoort.

Sinds 2005 heet dat alles – 60 fabrieken in totaal – Chemelot. De meeste fabrieken die hier ‘bulkchemicaliën’ maakten, zijn nu in handen van multinationals. Hun bestuursvoorzitters houden kantoor in Japan, China of Saoedi-Arabië; Chemelot beheert het terrein zoals een havenbedrijf dat doet. Voor het terrein is er, net als in de DSM-tijd, één enkele milieuvergunning, en die is in handen van Chemelot.

Daarin staan geen beperkingen voor lachgas, want daarvoor is nooit iets geregeld. Lachgas is niet zo’n gevaarlijke stof – vandaar dat roeszuchtige tieners het overal kunnen kopen. Voor broeikasgassen zijn nooit milieuregels opgesteld, terwijl dat wel gebeurde voor stoffen die zure regen veroorzaken. „Er is nooit een grenswaarde vastgesteld”, zegt Robert Claasen, topman van Chemelot.

Lees ook: Onderzoeksraad: Chemelot moet veiliger

Tijdens een rondje met de auto over het uitgestrekte terrein kan Claasen de drie bedrijven zo aanwijzen die lachgas uitstoten. OCI Nitrogen, dat salpeterzuur voor kunstmest maakt. Fibrant, de enige fabriek in Nederland die de nylongrondstof caprolactam maakt, recent door Chinezen overgenomen. En dus de acrylonitrilfabriek van Anqore. Acrylonitril is de grondstof voor de ‘lego-kunststof’, maar ook voor koolstofvezels die in vliegtuigen worden gebruikt.

Een van de krachtigste broeikasgassen

Lachgas, de stikstofverbinding N2O, is een van de krachtigste broeikasgassen. Van een enkel molecuul warmt de atmosfeer 265 keer zo hard op als van het bekendste broeikasgas CO2.

Lachgas is al decennia een bekend onderdeel van het Nederlandse klimaatprobleem. Ruim 4 procent van de landelijke broeikasuitstoot komt van lachgas. Het komt vooral vrij uit mest in de veehouderij, daarna volgt de industrie.

En de bulk van die industriële lachgasuitstoot komt van Chemelot. Dat is al zo sinds jaar en dag. In het vorige decennium nam de lachgasuitstoot er nog flink af. Maar daarna niet meer.

Vorig jaar trok die bron van vervuiling ineens de aandacht van de onderhandelaars die werkten aan het landelijke klimaatakkoord voor 2030. Zo veel broeikasgas uit zo weinig schoorstenen!

Het lijkt bovendien erg simpel om er iets aan te doen, zonder dat de bedrijfsvoering in gevaar komt. Chemelot-directeur Claasen wil zijn terrein graag verduurzamen. „We denken dat we de lachgasuitstoot met 85 procent kunnen verminderen”, zegt hij. Op een aantal plekken in de fabrieken kunnen speciale katalysatoren geïnstalleerd worden. „Binnen drie à vier jaar kunnen we alle maatregelen technisch doorvoeren. Een deel nog sneller.” Het is een welkom geschenk nu het kabinet nog dit jaar zware klimaatmaatregelen moet nemen vanwege het Urgenda-vonnis.

Het complex raamt de kosten van de verbouwing op 90 à 120 miljoen euro. Per bespaarde ton broeikasgas kost de ingreep 10 euro, wat het een relatief goedkope klimaatmaatregel maakt. Chemelot kan, kort gezegd, een klimaatklapper maken.

Maar wie gaat de kosten van de vrijwillige maatregelen dekken? Claasen houdt alle opties open. „We vragen de overheid om maatwerk; dat hebben we ook bij de onderhandelingen voor het klimaatakkoord besproken.”

Het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) bekijkt de situatie, zegt een woordvoerder. In juni spreekt het kabinet zich uit over de maatregelen vanwege de Urgenda-zaak en het klimaatakkoord voor 2030. Daar zal het lachgas op Chemelot onderdeel van zijn.

Emissiehandel

Als het zo eenvoudig is, is de vraag waarom er al die tijd niet is ingegrepen. Terug naar het begin van deze eeuw. Toen al schreven instituten zoals ECN en RIVM dat lachgas uit de fabrieken die salpeterzuur, caprolactam en acrylonitril maken, bijdraagt aan het klimaatprobleem.

Brussel greep in. Het Europese emissiehandelsysteem ETS werd opgericht. Dat draait grotendeels om CO2 uit elektriciteitscentrales en fabrieken, maar Brussel besloot lachgas uit vier typen fabrieken er vanaf 2007 ook onder te scharen – met de salpeterzuurfabrieken als bekendste.

Sindsdien kunnen OCI Nitrogen op Chemelot en de Zeeuwse kunstmestfabriek Yara handelen met hun lachgasuitstoot. Als ze minder lachgas verspreiden, houden ze geld over.

Het werkte subliem. Tussen 2006 en 2008 kelderde de industriële uitstoot van lachgas in Nederland van 7 miljoen naar 2 miljoen ton ‘CO2-equivalenten’ – dat zijn broeikasgassen die zijn omgerekend naar de opwarmende kracht van CO2.

De salpeterzuurfabriek op Chemelot stoot sindsdien nog maar weinig lachgas uit. Maar bij de naastgelegen caprolactam- en acrylonitrilfabrieken die nu van Fibrant en Anqore zijn, ging de uitstoot onverminderd door.

Gevraagd of Chemelot echt niet wist dat de acrylonitrilfabriek lachgas uitstoot zegt een woordvoerder van Chemelot dat het de uitstoot naar eigen zeggen nooit „in beeld” had. Hoe kon de uitstoot onopgemerkt kon blijven? Anqore beantwoordde zelf geen vragen voor dit artikel. Er werd voorheen alleen gemeten „op vergunning-eisen”, meldt de Chemelot-woordvoerder. Topman Claasen: „De vraag is altijd: waar ga je op meten?”

Zo raakte de aanpak van lachgas in een impasse. De Europese fabrieken die de grondstoffen voor nylon en de lego-kunststof ABS maken, bleven buiten het emissiehandelsysteem.

Hoe dat kwam, is niet helemaal helder. Het ministerie van EZK zegt desgevraagd dat lastig te meten is hoeveel lachgas zulke fabrieken uitstoten. Volgens Chemelot lukte het niet om een zogeheten ETS-benchmark op te stellen, een meetlat die bepaalt hoe klimaatbelastend zo’n fabriek mag zijn. Dat heel Europa slechts vijf of zes van zulke fabrieken telt, hielp in ieder geval niet.

‘Makkelijker een man op de maan te zetten’

Hoe dan ook: het gebeurde niet. En zo gingen tien jaar voorbij. Toenmalig staatssecretaris Joop Atsma (Infrastructuur en Milieu, CDA) zei in 2011 nog dat hij samen met DSM optrok om de caprolactam-fabricage onder het ETS te brengen. Daar werd niets meer van vernomen, en met het Energieakkoord (2013) verlegde het rijk zijn aandacht naar energiebesparing en duurzame energie.

Ook bij de provincie Limburg lag de interesse elders, zegt demissionair gedeputeerde Joost van den Akker (Economie, VVD) in het provinciehuis. „Het behouden van werkgelegenheid en kennis van Chemelot stond hoger op de agenda.”

Het Europese emissiehandelssysteem wijzigen is een moeizame ambtelijke klus, voegt zijn medewerker Jan-Jaap van Halem toe. „Het is makkelijker om een man op de maan te zetten.”

Als die lachgasuitstoot wel onder het ETS zou vallen, was het misschien al lang opgelost. De uitstoot van één ton CO2 kost op dit moment 25 euro in de Europese emissiehandel: veel meer dus dan de 10 euro per ton die de maatregelen kosten om de uitstoot te vermijden.

Een andere oplossing is van overheidswege ook nog niet gevonden. Lachgasreductie zal niet onder de nieuwe industrie-subsidie SDE++ vallen, maakte minister Wiebes (Economische Zaken en Klimaat, VVD) vorige maand bekend – alweer vanwege onduidelijkheid over de financiële details. Ook is onzeker of de fabrieken onder de CO2-heffing geschaard kunnen worden waarover het kabinet nu nadenkt.

Gedeputeerde Van den Akker hoopt dat het rijk simpelweg met een zak geld over de brug komt. „100 miljoen euro is niet veel geld voor wat het oplevert voor het klimaat. Het is vele malen goedkoper dan al die warmtepompen in huizen.”

De acrylonitrilfabriek van Anqore ligt juist deze weken stil voor een grootschalige onderhoudsbeurt. Tientallen bouwketen staan strak in het gelid bij de fabriekspoort, grote delen van de fabriek staan in de steigers. Mannen en een enkele vrouw in overalls lopen af en aan.

De lachgasuitstoot van de fabriek had na deze grote beurt grotendeels verleden tijd kunnen zijn: kwestie van een stoomketel vervangen. Dat gebeurt nu niet, zegt Claasen. „Een ketelvervanging is een project van drie jaar. En er is rond de regelgeving nog niets afgesproken.” Het wachten is op de volgende onderhoudsbeurt. Die is over vier jaar.