Opinie

Onzorgvuldig? Te laat zijn betekent nog niet dat je een film niet hebt begrepen

De ombudsman

Soms heb je er natuurlijk schoon genoeg van, als kunstenaar, schrijver, filmer of theatermaker. Jaren aan je nieuwste baby gewerkt, en die dan in een laconiek stukje afgehandeld zien, ergens onderin de ballenbak. Matig, niet overtuigend, goed voor twee ballen of – omgekeerd compliment – eentje.

Dat schreeuwt om wraak.

De Raad voor de Journalistiek honoreerde vorige week een klacht van productiemaatschappij Shooting Star over de recensie van de film De Dirigent. NRC had journalistiek „onzorgvuldig” gehandeld, aldus de Raad. Opmerkelijk, want: over een recensie?

Eerst de feiten. Filmredacteur Coen van Zwol had de film twee ballen gegeven („matig”). Hij was duidelijk niet onder de indruk. De film had te weinig „vaart” en kwam „nooit echt tot leven”.

Maar volgens de producent had ook Van Zwol zelf te weinig vaart gemaakt; bij de voorstelling van de film was hij te laat binnengekomen, volgens de klagers „bijna een kwartier”, in elk geval „ver” na de acht minuten durende openingsscène. Hij had de film dus niet goed kunnen beoordelen.

Je kunt je iets voorstellen bij ergernis over laatkomers: de zenuwen staan strak, van de persvoorstelling hangt veel af, en dan komt de recensent van een belangrijke krant ook nog eens te laat binnensloffen. Na de recensie volgde dan ook een allengs verbetener mailwisseling tussen de productiemaatschappij en de krant.

Volgens de makers had de recensent nu niet minder dan vijftien cruciale momenten van de film gemist, waaronder „de titelkaart New York, 1926”, „de introductie van het dirigeerstokje”, en de „bezetenheid waarmee [de hoofdpersoon] het orkest in de wc denkbeeldig staat te dirigeren”. Dat is nogal wat.

Maar volgens Van Zwol ging het heel anders. Nee, je moet niet te laat binnenkomen of door een voorstelling heen slapen, dat vindt hij natuurlijk ook – maar zoveel te laat was hij helemaal niet. Uit zijn verweer: „Ik arriveerde direct na de begintitels, ging op de eerste rij zitten en klapte mijn notitieblokje open. Dus zeker niet na 5, 10 of 20 minuten.”

Van Zwol was opgehouden in de rij voor de koffie en omdat hij door iemand werd aangesproken.

Hij deed achteraf meer, omdat hij geschrokken was van de kritiek: „Ik ben naar aanleiding van de klachten opnieuw naar de film gegaan, met een stopwatch. Ik heb geklokt om te reconstrueren wat ik gemist had, en dat bleken de eerste 30 seconden te zijn.”

Van Zwols verklaring wordt ondersteund door „getuigenverklaringen” van twee andere filmjournalisten, van wie er één ook te laat was („Toen ik arriveerde, zat Coen van Zwol al in de zaal”) en van wie de tweede eerder was, maar meent dat Van Zwol „niets noemenswaardigs” heeft gemist. Ook de pr-manager van het distributiebedrijf dat de persvoorstelling organiseerde, meldt dat Van Zwol in de zaal zat „bij het begin van de persvoorstelling”.

Hij miste naar eigen zeggen dus alleen dat titelblad. Pijnlijk genoeg, want dat leidde tot een feitelijke onjuistheid in de recensie, die vaststelt dat „het lang duurt voor je beseft dat dit Californië in de jaren twintig voorstelt”.

Niet dus, het was New York.

Die fout werd rechtgezet, zowel in de recensie online als in de rubriek Correcties & Aanvullingen. De Raad vindt dat niet genoeg. De krant had, aldus het vonnis, „een ruimhartige rectificatie” moeten plaatsen „waarin de handelwijze van Van Zwol voor de lezer inzichtelijk was gemaakt”.

Dat hij te laat was, dus.

Op de redactie werd met ongeloof op de uitspraak gereageerd. Gaat de Raad zich nu mengen in de totstandkoming van recensies?

Die mogen geen „wezenlijke fouten” bevatten, vindt de Raad – nee, dat vind ik ook. Maar verder doemen hier tal van kentheoretische complicaties op.

Want op tijd komen is professioneel en ook voor journalisten gewoon beleefd, zeker. Film-, theater- en muziekrecensenten hebben daarbij de pech dat hun gedrag voor anderen waarneembaar is.

Maar hoe maak je aannemelijk dat een recensent die het begin van een film mist, al zo op het verkeerde been staat dat zijn hele verdere blik niet meer deugt, zoals de makers beweren? Ook recensenten die op tijd zijn, worden wel eens afgeleid door een krakende zak chips, hun mobiel of een boodschappenlijstje.

Nu zou je recensenten kunnen verplichten een helm te dragen met hersenscan-apparatuur, om na te gaan of ze goed blijven opletten. Maar ja, dan nog geldt: leg maar eens een causaal verband tussen die rare verkleuring in de prefrontale cortex van de recensent en zijn zure oordeel.

De Raad voelt die bui hangen, want redeneert omfloerst: Van Zwols fout aan het begin van zijn recensie – dus dat de film zich in Californië afspeelt – weegt zwaar omdat het „de opmaat” is naar „een verdere negatieve toonzetting”. Opmaat dus, niet de oorzaak ervan.

Maar die exegese suggereert toch dat als Van Zwol nu maar had gezien dat de film zich in New York afspeelde, zijn stuk een andere „opmaat” had gehad en mogelijk een andere toonzetting. Hoe weet de Raad dat?

Niet. De conclusie luidt dan ook dat „in het midden kan blijven hoeveel minuten Van Zwol daadwerkelijk heeft gemist [...] en of Van Zwol al dan niet tot een andere mening was gekomen als hij de hele tijd aanwezig was geweest”.

Maar als dat zo is, waarom had de krant die vergissing dan ruimhartiger moeten rectificeren?

Het is prima als makers iets terugzeggen op een bespreking – ik schreef er al eerder over. Roma locuta, causa finita is voorbij, ook in de journalistiek. Maar hier gaat een recensent voor de bijl wegens zijn gedrag en een (gecorrigeerde) fout, zonder dat ook maar aannemelijk is gemaakt of die zijn oordeel hebben bepaald.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.