‘Leeg Spanje’ vecht voor zijn voortbestaan

Krimp in Spanje Het Spaanse platteland ontvolkt in hoog tempo. Voor sommige dorpen lijkt het te laat om het tij nog te keren. Andere rooien het net, met hulp van de EU en de staat.

In Villaseca de Henares woonden vijftig jaar geleden nog 1.500 mensen, nu staan er nog dertig inwoners geregistreerd.
In Villaseca de Henares woonden vijftig jaar geleden nog 1.500 mensen, nu staan er nog dertig inwoners geregistreerd. Foto Koen Greven

Rafael Nova Bueno staat in de laadbak van zijn tractor om een gat in het dak van zijn schuur te repareren. Om hem heen blaten schapen, buiten liggen honden in de zon aan de ketting. „Het leven hier is improviseren”, zegt de 64-jarige boer als hij even later glimlachend beneden staat. „Je moet het doen met de middelen die voorhanden zijn. Op hulp van buiten hoef je niet te rekenen, al betalen we evenveel belasting als de Spanjaarden in de grote steden met al hun voorzieningen.”

Nova Bueno is al 28 jaar burgemeester van Villaseca de Henares en zal er waarschijnlijk nooit vertrekken. Zo’n vijf decennia geleden leefden hier circa 1.500 bewoners van de landbouw of verdienden hun geld bij de nabijgelegen cementfabriek ‘El Leon’. Vervlogen tijden. Kleine boeren zijn weggeconcurreerd, de fabriek is gesloten.

Nova Bueno is geboren en getogen in ‘zijn’ Villaseca de Henares, in de provincie Guadalajara, en heeft het dus met eigen ogen zien leegstromen. Het dorp ligt in het hart van de zogenoemde Serranía Celtibérica, het dunstbevolkte gebied in West-Europa, anderhalf keer zo groot als Nederland. Verspreid over 1.632 gemeenten wonen er acht personen per vierkante kilometer in dit ‘Lapland van het zuiden’. Geen dorp in de provincie verloor de laatste tien jaar percentueel gezien zoveel mensen als Villaseca de Henares.

Er staan officieel dertig mensen ingeschreven in het gemeentehuis, maar meestal brengen maar veertien mensen er de nacht door. „Villaseca is als een omgevallen boom, die nooit meer rechtop zal staan”, stelt sociaal-democraat Nova Bueno.

Burgemeester herkozen

Op 26 mei stemt Spanje voor het Europese parlement. Tegelijkertijd zijn er ook lokale verkiezingen. De burgemeester zal dan waarschijnlijk herkozen worden, maar een masterplan om zijn dorp te behouden heeft hij niet. Hij schudt zijn hoofd „Ik moet reëel zijn. Dit ontwortelingsproces is al heel lang aan de gang. Politici van landelijke partijen hebben het nu vlak voor de verkiezingen heel even over de problemen van het rurale Spanje. Maar echt serieus worden we nooit genomen. Er zijn hier geen stemmen te winnen. In een willekeurig flatgebouw in Madrid wonen meer mensen.”

Nova Bueno is vooral burgemeester geworden uit noodzaak, zegt hij. „Als er geen water is, dan is dat mijn probleem en dat van mijn dorp. En van niemand anders. Dan heb ik liever de middelen in handen om het direct zelf op te lossen.”

De problemen van Villaseca lijken op de problemen van de 8.131 gemeenten die in Spanje met uitsterven worden bedreigd. Dit is mede een erfenis van de snelle transitie die Spanje eind jaren zeventig doormaakte van dictatuur naar democratie. Hierna moderniseerde het land in hoog tempo. De zuigkracht van de kustregio’s en de regio Madrid trok het toch al dunbevolkte Spaanse platteland verder leeg.

Die trek naar de stad vindt in alle EU-landen plaats, maar in Spanje is de disbalans wel heel groot. Negentig procent van de Spanjaarden, zo’n 42 miljoen, woont op dertig procent van het Spaanse grondgebied. De overige 4,6 miljoen wonen op het platteland, maar al te vaak in kwijnende, of zelfs stervende dorpen als Villaseca.

Onlangs kwamen duizenden bewoners van dit ‘lege Spanje’ naar Madrid om aandacht van landelijke politici te vragen. Dorpen als het zijne verkeren in een neerwaartse spiraal, legt burgemeester Nova Bueno uit. „In Villaseca leven geen kinderen meer, dus een school is er niet. De bar is in de winter gesloten. Eens in de twee weken komt er een dokter langs. De politie laat zich hier vrijwel nooit zien. Zo wordt het zelfs voor de gepensioneerden die hier wonen steeds moeilijker. Ik denk dat Villaseca uiteindelijk ten dode is opgeschreven.”

El Madroño herrijst

Vanuit de stad Sevilla is het ruim een uur rijden over slingerweggetjes van de Sierra Morena naar El Madroño. Een beeldschoon dorpje dat al decennia lang gedoemd lijkt, maar toch keer op keer weet te herrijzen. Nadat de kopermijn aan de nabijgelegen rivier Río Tinto in de jaren tachtig van de vorige eeuw dichtging, vertrokken de mijnwerkers naar de grote steden in het arme Andalusië, Huelva en Sevilla. De meeste agrariërs bleven achter in het dorp, dat kromp van ruim 500 inwoners naar zo’n 280 nu. Onder hen dertien echtparen en zeven kinderen.

In 2004 leek een enorme bosbrand de definitieve doodsteek voor het plaatsje, maar niets bleek minder waar. Het verwoestende vuur bracht El Madroño juist weer enigszins tot leven.

Bij ambtenaar Alicia Alonso (38) springen nog bijna de tranen in haar ogen als ze terugdenkt aan de ramp van vijftien jaar geleden. „Het vuur kwam vanuit de bergen naar de huizen. Bewoners werden geëvacueerd, maar sommige ouderen weigerden te gaan. Niet iedereen heeft het overleefd”, vertelt Alonso buiten, terwijl ze uitkijkt op de bergruggen die boven het dorp uittorenen.

Waar toen duizenden bomen groeiden, staan nu enkel nog struiken. „Je kunt je niet voorstellen hoeveel mooier het hier voor de brand was.”

Over leegloop in Europa:

Brandweermannen

Voor María José Martín (36), telg uit een mijnwerkersgeslacht en wonend in Huelva, betekende de brand achteraf een onverwachte ommekeer. Haar echtgenoot vond een baan bij een groot brandbestrijdingsproject van de staat, dat in de nabijheid van El Madroño aan tientallen mensen werkgelegenheid bood.

„Ik kende El Madroño vooral van de verhalen van mijn opa”, legt ze uit op het gemeentehuis van het dorp waar ze secretaresse is. „Van de mijnwerkers die naar hun werk moesten lopen. Velen zijn op jonge leeftijd door ziektes gestorven. Ik geloof niet dat er in El Madroño nog één in leven is.” Ze glimlacht en zegt: „Nu bestaat de helft van dit dorp uit brandweermannen.”

Hoewel de kopermijn onlangs heropend is, blijft El Madroño trouw aan een nieuw ingeslagen weg. „De mijnbouw is voor ons geschiedenis”, zegt locoburgemeester Sandra Acevedo (36) tijdens een rondgang door ‘haar’ dorp. „Toeristen kunnen de oude route naar Río Tinto lopen over het grensbruggetje tussen de provincies Sevilla en Huelva. Maar we kijken ook graag vooruit. Naast de boeren en de brandweermannen proberen we nieuwe, kleinschalige projecten te ontwikkelen. We hebben bijen die honing leveren. En we zijn bezig met de bouw van een herberg voor toeristen.”

El Madroño heeft twee supermarkten annex barretjes. Foto Koen Greven

Dat er voor El Madroño nog hoop is, komt ook doordat zowel Sevilla als Huelva op een rijafstand van ruim een uur liggen. Inwoners die naar de grote stad trokken, verbraken de banden met hun oude gemeenschap nooit helemaal. Familiehuizen werden aangehouden als vakantiebestemming voor de lange warme zomers.

Onder leiding van de socialistische burgemeester Don António López is El Madroño erin geslaagd alle nodige voorzieningen op peil te houden. Van een pinautomaat tot twee barretjes annex supermarktjes en van een huisarts en een apotheek tot een school en een complex met een reusachtig zwembad.

Wel blijft het dorp voor groot deel afhankelijk van provinciale, regionale en Europese subsidies, waarbij het een strijd is van ieder dorpje voor zich. Villaseca de Henares noch El Madroño zaten bijvoorbeeld bij de ruim 500 Spaanse dorpjes die 15.000 euro subsidie krijgen van de Europese Commissie voor de aanleg van wifi.

Leegloop en vergrijzing zijn, naast inkomen en opleiding, een belangrijke indicator voor proteststemmen, zo werd vorig jaar geconstateerd door onderzoekers die voor de EU-Commissie een kaart van anti-establishment- en anti-EU stemmen bij de vorige verkiezingen aanlegden. Ze spraken van de „geografie van EU-onvrede”, en „de wraak van de plekken die er niet toe doen”. Bij de landelijke verkiezingen van april haalde het uiterst rechtse Vox in een klap 24 zetels in het Congres, en zij staat bij de lokale en EU-verkiezingen in Spanje opnieuw op winst.

Zeven kinderen

De drie vrouwen in dienst van de gemeente gaan voor naar het schooltje, waar zeven kinderen les krijgen van twee leraren. Alonso en Acevedo zaten hier dertig jaar geleden zelf in de bankjes en nu is het tijd voor hun eigen kinderen. Alonso: „Ik ben heel blij dat mijn kinderen hier nu ook opgroeien. Ze krijgen bijna privéles. Mijn zoontje wil graag brandweerman worden. Dat is toch voor ieder jongetje een droom?”