Opinie

    • Hans Steketee

Je ziet meteen of het gezellig was

Nederland feest NRC vraagt lezers Nederland in beeld te brengen. Op sommige feestfoto’s kun je goed zien dat het feest is, en op andere niet. Maar hoe?

Foto G. Debaugnies

Een muziekcafé waar ik als student nogal veel tijd heb doorgebracht viert binnenkort een jubileum en ik vroeg me af hoe het daar nu zou zijn. Uit de foto’s op de website kreeg je een goede indruk. De ‘ten golden tips for great party photos’ hadden ze zo te zien in de wind geslagen, of het moest het advies zijn geweest om af en toe de camera schuin te houden. Maar het was er overduidelijk een vrolijke boel, iets minder liederlijk dan ik eerst vreesde, en iedereen tot nader order onsterfelijk, al vond ik wel dat al die jongens en meisjes een beetje op elkaar leken. Maar dat zal vroeger, toen ik zelf nog onsterfelijk was, ook wel het geval zijn geweest voor een buitenstaander.

Die foto’s bevestigden weer eens de oude paradox dat ook beroerde foto’s heel effectief kunnen zijn. Je kunt er niet precies je vinger op leggen – want het is meer dan alleen lachende gezichten of dansende mensen – en toch kun je meteen zien dat deze mensen een leuke avond hebben. Misschien is juist het achteloze en onbestudeerde waarmee de foto’s daar gemaakt zijn er een element van. De feestgangers zijn zich wel bewust van de fotograaf, maar die is niet de belangrijkste persoon in de ruimte. Ze zijn vooral met zichzelf bezig.

De overtreffende trap daarvan moet wel Studio 54 zijn, de New Yorkse nachtclub die zijn hoogtijdagen beleefde vanaf 1977 en die het blad Rolling Stone „een hedonistisch bacchanaal dat 33 maanden duurde” heeft genoemd. Studio 54 sloot in het jaar waarin de eerste gevallen van aids werden gerapporteerd.

De beelden ervan die in het collectieve geheugen belandden zijn ook allesbehalve doorgecomponeerd; het zijn merendeels snapshots in zwart-wit en schreeuwen: zet mij op de voorpagina van The New York Post of een andere tabloid. Bianca Jagger die op haar verjaardag op een wit paard over de dansvloer rijdt (het paard met een wit oog van het flitslicht). Andy Warhol met en zonder bril, met lang en kort haar en met streepjesdas en vlinderstrik. Liza Minnelli en Paloma Picasso, het stof in de schijnwerpers boven de volgepakte dansvloer waarvan je vermoedt dat het coke is. En doorkijkjes in de halfduistere separeetjes vol mensen die zweten „omdat ze net iets hadden gedaan of gingen doen”, zoals Grace Jones het noemde. In die tijd kon ze zelf trouwens ook erg mooi zweten.

Als je geen A-list celebrity was kon je er alleen binnenkomen als je een beetje origineel gekleed was. Ter gelegenheid van Halloween ging er dan nog een schepje bovenop met de outfits. Toch hoeft verkleden een feestje niet leuker te maken.

Zo vraag ik me af hoe gezellig het nu echt was op de beroemde gekostumeerde feesten van het Bauhaus, de minimalistische designschool in Weimar.

De schilders en architecten en beeldhouwers en ontwerpers maakten hun eigen kostuums van geometrische vormen, fabeldieren of vreemde machines, waarbij het enige criterium was dat ze ‘waarlijk origineel’ moesten zijn. Lyonel Feininger ging als twee rechthoekige driehoeken, Paul Klee als zijn eigen schilderij, oprichter Walter Gropius als Le Corbusier en Kandinsky als een zendmast. Ze wisten vast dat ze geschiedenis schreven, maar op de iconische foto’s van deze „groteske menagerie”, zoals een Hongaarse Bauhaus-leerling de ballet-achtige muziekfeesten in de jaren twintig van de vorige eeuw noemde, wordt niet erg veel gelachen.

Van die andere Bauhaus-feestjes, zoals het gemengd zwemmen in de zomer, zijn dan weer geen foto’s bewaard. Daarover ging het gerucht dat sommige leden hun badkostuum expres thuis lieten. Dit stukje eindigt dus met het raadsel intact: op sommige foto’s kun je goed zien dat het feest is, en op andere niet, of zie je dan juist dat het geen feest is? Maar waardoor het komt, blijft onduidelijk. Je moet erbij geweest zijn om te weten hoe het was.