In de Westerschelde lag een walvisschedel van acht miljoen jaar oud

Fossielen De schedel van de baleinwalvis is mogelijk afkomstig van een voorouder van de moderne bultrug.

Een tekening van baleinwalvis Nehalaennia devossi, die lang geleden zwom in Zeeuwse wateren.
Een tekening van baleinwalvis Nehalaennia devossi, die lang geleden zwom in Zeeuwse wateren. Illustratie Remie Bakker, Manimal Works

Op de bodem van de Westerschelde, ter hoogte van Terneuzen, ligt een schat aan fossiele walvisbotten van ruim acht miljoen jaar oud. Mondjesmaat kwam daar al wat van naar boven, maar in 2014 was het goed raak: toen vonden wetenschappers maar liefst 25 fossiele walvisschedels, van ten minste vijf soorten die nieuw zijn voor de wetenschap. Eén daarvan is nu geïdentificeerd als een heel vroege, maar toch verbazend moderne baleinwalvis: misschien wel een directe voorouder van de bultrug. Onderzoekers presenteerden de vondst vorige week in PeerJ.

„Er is nog veel onduidelijkheid over de evolutie van baleinwalvissen”, vertelt Klaas Post, honorair conservator bij het Natuurhistorisch Museum Rotterdam, een van de auteurs van de studie. „Er is vooral veel discussie over de oorsprong van de Balaenopteridae: de groep waartoe de vinvissen en de bultrug behoren.” Er zijn maar weinig fossielen bekend uit de periode waarin veel Balaenopteridae ontstonden: het laat-Mioceen, tussen circa vijf en twaalf miljoen jaar geleden. Dat maakt de vindplaats in de Westerschelde zo uniek, aldus Post.

„De Westerschelde snijdt dwars door een aantal Miocene sedimentlagen heen”, vertelt hij, „en heeft een aantal plekken blootgelegd waarin je juist fossielen uit die periode kunt vinden. Er was hier en daar al wel eens een wervel opgevist, dus we vermoedden dat er nog meer moest liggen. Daarom hebben we in 2014 een schip gehuurd om een paar weken systematisch te gaan zoeken met sleepnetten.”

Spitssnuitdolfijn

In de derde week werd het spannend. „Er kwamen grote brokken zandsteen naar boven met vrij complete fossielen erin”, vertelt Post. Uniek voor Nederland, zo benadrukt hij: elders bestaat ons land vooral uit zachte sedimenten. „Het voordeel van dat harde zandsteen is dat de fossielen die erin zitten uitzonderlijk goed bewaard zijn.” Een ander voordeel is dat je die afzettingen – en daarmee de fossielen die erin zijn ingebed – heel nauwkeurig kunt dateren. De wetenschappers kijken daarvoor naar de verhoudingen tussen bepaalde groepen eencellige algen.

„Toen kwamen er opeens hele schedels naar boven”, vertelt Post, „vaak met de onderkaak er nog bij. Een stuk of tien schedels van een nog onbekende spitssnuitdolfijn, nog meer onbekende schedels, en dus deze bultrug-achtige. Dat je één zo’n fossiel vindt, is al uniek. En nu dan ineens ten minste vijf nieuwe soorten, dat is nog nooit vertoond.”

De schedel van de vroege bultrug is ongeveer een meter lang. Het hele dier was waarschijnlijk 5,5 tot 7 meter lang: vergelijkbaar met de huidige dwergvinvis. „Lange tijd werd gedacht dat de eerste echte Balaenopteridae pas in het Plioceen zijn ontstaan”, vertelt Post, „dus minder dan vijf miljoen jaar geleden. De laatste paar jaar is dat opgeschoven naar zeven tot acht miljoen jaar geleden. Maar onze vondst, die we hebben gedateerd op 8,1 tot 8,7 miljoen jaar oud, laat zien dat het nóg eerder moet zijn geweest. Daarmee is dit de oudste walvis die echt heel dicht tegen de bultrug aan zit.”

Wat maakt die schedel dan bultrug-achtig? „De vorm van de oogkassen, het achterhoofd en de neusgaten”, vertelt Post, „maar vooral de manier waarop de onderkaak in de schedel scharniert. Die laat zien dat de bek al helemaal open kon.”

Plooibare keelzak

Vinvissen en bultruggen kunnen, in tegenstelling tot andere walvissen, hun bek bijna 90 graden opensperren. Dat heeft te maken met hun bijzondere manier van jagen: ze zwemmen met hun wijd geopende bek van onderen door een school vis of garnaaltjes heen. Met hun enorme, plooibare keelzak scheppen ze zo duizenden liters zeewater op, met prooi en al. Het zeewater persen ze met hun tong naar buiten, waarbij de prooidiertjes achter de baleinen (hoornachtige zeefplaten) van de bovenkaak blijven hangen.

„Dit exemplaar zou zomaar een directe voorouder van de bultrug kunnen zijn”, stelt Post, „en dus niet een uitgestorven tak.” De onderzoekers doopten hem Nehalaennia devossi – ‘Nehalaennia’ naar een voor-Christelijke godin die ooit in Zeeland werd vereerd, en ‘devossi’ naar John de Vos, een van de belangrijkste fossielenkenners van Nederland.

De onderzoekers zijn nog lang niet klaar met hun rijke vindplaats in de Westerschelde. „We zijn nog bezig met het beschrijven van de andere nieuwe soorten die we in 2014 hebben gevonden”, zegt Post, „waaronder de nieuwe spitssnuitdolfijn. En binnenkort gaan we er weer twee weken vissen. We zoeken nog een enorme potvis. Die moet erin zitten: we hebben er al tanden van gevonden. Maar het telt pas echt als je de hele schedel hebt.”