Opinie

    • Ellen Deckwitz

Be-dankt

Ellen Deckwitz

Een van de vele programmeerfouten van het universum betreft de sterfelijkheid van ouders en toen ik gistermiddag mijn vader van de trein haalde werd het me koud om mijn hart. Tot voor kort was hij een vlotte bob, iemand die ondanks zijn 82 jaar nog drie keer per week sportte en zijn hand niet omdraaide voor een middag houthakken of mijn moeder bepotelen, maar gisteren werd opeens pijnlijk duidelijk dat ook hij ouder wordt. Zijn geest was even scherp als altijd maar hij liep trager, zijn benen waren moe, de vaten versleten, zijn pezen toe aan rust. Ik liep over van een melancholisch soort tederheid.

„Je bent wel aan het aftakelen gast”, mompelde ik dus maar.

„Sorry”, zei hij, en zwijgend pakten we de metro richting mijn huis. Terwijl mijn vader in de ondergrondse zijn ogen uitkeek (het blijft toch een dorpsjongen) wiebelde ik wat op mijn zitplaats. De gedachte dat dit weleens de laatste keer zou kunnen zijn dat we op stap waren, maakte me onrustig. Straks had ik deze dag niet ten volle benut. Had ik niet de dingen gevraagd die ik nog graag wilde weten en uiteindelijk werd ik zo moe van mezelf dat ik hem maar begon uit te horen. Hoe was zijn eerste zoen, zijn eerste sigaret, het eerste boek dat hem raakte? Na een stuk of negentig antwoorden durfde ik hem eindelijk de engste vraag te stellen.

‘Hoe was het om je vader te verliezen?” „Onwerkelijk”, zei hij. „Ik was vijftien. Ik had hem nog zo veel willen vragen.” En dus ging ik maar door met mijn verhoor. Wat was nou écht zijn lievelingskleur, waardoor werd hij verliefd op mijn moeder, kon hij me al mijn puberfratsen vergeven? Ik ging door tot de zon ging liggen.

Die avond dacht ik na over onze gesprekken, over het doorgeven van familieverhalen, en hoe futiel dat eigenlijk is. De meeste mensen zouden niet spontaan de voornamen van hun overgrootouders kunnen oplepelen, laat staan diens lievelingseten of van welk huisdier ze het meest hebben gehouden. Ik koesterde de kleine feiten die ik van mijn vader had verzameld.

„Alles is eindig”, zei hij toen hij weer naar huis ging. „Maar het is de kunst daaraan te blijven denken, dat te koesteren.” En ik koesterde deze dag met hem. Iedere hartslag klonk even niet meer als het zachte ka-boem van bloed en spieren, maar als een aanhoudende dankbetuiging.

Be-dankt, zei mijn hart, be-dankt, be-dankt. Dat ik die dag de moed had om herinneringen te verzamelen, zodat het aantal dingen dat ik me later nog zou moeten afvragen tot een minimum was beperkt. Be-dankt pa, dacht ik. Voor alle verhalen, en de vader die ze doorgaf.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.