Femke Halsema over de tegenstand tegen het Holocaustmonument: ‘Stop de twisten’

Burgemeester Amsterdam Verzoen je met de locatie, zegt burgemeester Femke Halsema tegen de opponenten van het Holocaust Namenmonument in Amsterdam.

Femke Halsema vindt het „een verdrietige geschiedenis”, de twisten over het te bouwen Holocaust Namenmonument in Amsterdam. Het is, zegt ze, „pijnlijk dat er zo veel rumoer omheen is. Je zou het monument zo snel mogelijk willen onthullen, nu de laatste overlevenden er nog zijn.”

Begin vorig jaar had de eerste spade de grond in moeten gaan voor een gedenkteken voor alle Nederlandse Joden, Roma en Sinti die in de Tweede Wereldoorlog vermoord zijn. Een in het oog lopende constructie langs de Weesperstraat in Amsterdam, ontworpen door de bekende Amerikaanse architect Daniel Libeskind.

Het monument telt 102.000 bakstenen – op iedere steen de naam van een Joodse Nederlander die door de nazi’s werd vermoord. Het Rijk en de gemeente Amsterdam nemen het leeuwendeel van de bijna 15 miljoen euro aan bouwkosten voor hun rekening.

Het Nationaal Auschwitz Comité nam al in 2006 het initiatief tot het monument, maar door bestuurlijk dralen en tegenstand in de buurt is nog altijd niet met de bouw begonnen. Volgende week dient een rechtszaak van omwonenden: ze verzetten zich tegen de locatie, het ontwerp van Libeskind en de kap van 24 bomen. Eerder riep een groep kunstenaars en intellectuelen, onder wie publicist Herman Vuijsje en socioloog Abram de Swaan, de gemeente op om naar andere locaties te kijken.

Tot nu zweeg burgemeester Halsema over de gevoelige kwestie. Omdat de gemoederen rond het monument zo hoog oplopen, acht ze de tijd rijp om stelling te nemen. Op de uitspraak van de rechter „wil ze niet vooruitlopen”, maar haar boodschap aan de tegenstanders is helder: verzoen je met de locatie en het ontwerp. „Voor de wijze waarop we samen de Holocaust willen herdenken, is het van belang dat we hier geen burenruzies meer over hebben.”

Om te laten zien dat het haar menens is, neemt Halsema een garantstelling van 1,7 miljoen euro over van het Rijk, voor het geval het Auschwitz Comité de benodigde fondsenwerving niet rond krijgt.

Waarom komt dat monument er maar niet?

„Je kunt je afvragen of dit initiatief niet al dertig, veertig jaar geleden genomen had moeten worden, door de gemeente of door het Rijk. Andere landen hebben allang zo’n nationaal holocaustmonument. Ik denk dat er in Nederland en Amsterdam in het bijzonder lang een groot ongemak is geweest over de eigen rol tijdens de Tweede Wereldoorlog. We herdenken de Februaristaking, maar dat was een zeldzaam moment van moed van Amsterdamse arbeiders en winkelmeisjes. Veel van onze voorouders waren helemaal niet moedig, sommigen hebben zelfs bijgedragen aan het wegvoeren en vermoorden van onze Joodse bewoners.”

Buurtbewoners zeggen: wij zijn voor een monument, maar er is nooit met de Amsterdammers gepraat over waar het moet komen en hoe het eruit moet zien. In Berlijn, New York en Londen is dat wel gebeurd.

„Dit is een particulier initiatief van het Auschwitz Comité, de gemeente heeft zich er in een later stadium verantwoordelijk voor gemaakt. Onder Eberhard van der Laan [Halsema’s voorganger, red.] is er vaart gemaakt, met als gevolg dat niet alle procedures tot op de letter zijn gevolgd.

„Dat neemt niet weg dat de raad zich twee keer unaniem voor het monument heeft uitgesproken en een onafhankelijke commissie van de gemeente de klachten van buurtbewoners ongegrond heeft verklaard. En er zijn wel degelijk inspraakavonden geweest. Het is niet zo dat iedereen terzijde is geschoven.”

Had de gemeente desondanks niet moeten zeggen: we gaan hier een open prijsvraag van maken?

„Een andere route was mogelijk geweest, in een eerder stadium. Dat is niet gebeurd. Zoals de Engelsen zeggen: dat is water onder de brug. We kunnen opnieuw een discussie voeren over de locatie, maar de kans is groot dat daar ook bezwaren tegen ontstaan. Laten we alsjeblieft voorwaarts gaan. Dit is iets fundamenteel anders dan de fietstunnel onder het Rijksmuseum.

„Toen ik voor het eerst voor de namenwand op het Vietnam-monument in Washington stond, heeft dat een onuitwisbare indruk op me gemaakt. De tastbaarheid van het verlies, de zichtbaarheid van de namen, de mensen die aan het zoeken waren naar hun familieleden. We zijn dit aan de Joden, Roma en Sinti verplicht.”

Volgens de tegenstanders is het monument te overweldigend voor de kleine strook waarop het komt.

„Tja, maar als het over de bomenkap gaat, noemen ze die strook een stadspark. Eigenlijk wil ik me niet mengen in de smaak-discussie. Wel ben ik het eens met de initiatiefnemers dat het monument een wond in de stad symboliseert. Het mag confronterend zijn, het mag aandacht vangen. Dat het te overweldigend zou zijn, kun je ook overdrijven. Anderen zeggen weer: het is een te onopvallende plek.”

De tegenstanders zeggen ook: we worden weggezet als antisemiet, terwijl we alleen tegen een monument op die plek zijn.

„Dat verwijt zullen ze van mij nooit krijgen, dat verwijt is schandelijk. Je kunt het met ze oneens zijn, maar ze ontfermen zich wel over het lot van hun stad. Iedere Amsterdammer die dat doet, verdient een compliment. Ik denk wel dat er op dit moment grotere belangen zijn dan de kap van bomen. Er komen trouwens na de bouw meer bomen terug dan er nu zijn.”

Wat vindt u van de manier waarop Jacques Grishaver, de voorzitter van het Auschwitz Comité, over de tegenstanders praat? Hij zei onder meer dat ze „de namen willen uitwissen” van zijn familieleden die in de oorlog zijn vermoord.

„Voor zijn inzet heb ik enorme bewondering. Grishaver is al dertien jaar bezig met dit monument. Dat hij dan te emotionele uitspraken doet, begrijp ik. Maar ze zijn niet goed.”

Architect Libeskind bracht in NRC de tegenstanders in verband met holocaustontkenning.

„Dat lijkt me ook niet verstandig. Ruzies doen af aan het belang om hier gezamenlijk in op te trekken. Misschien zijn de procedures suboptimaal verlopen, misschien zijn er ooit betere plekken te verzinnen. Maar dit is wat het is.”

Vreest u, net als het Auschwitz Comité, dat uitstel leidt tot afstel?

„Ik vind dat er geen afstel kán plaatsvinden. Als Nederlandse en Amsterdamse bevolking hebben we hier een plicht. De mensen die de vervolging hebben meegemaakt, worden zeldzaam. Op onze generatie rust een zware verplichting om het verhaal te blijven vertellen. Om te zorgen dat de littekens zichtbaar blijven in de stad. Het Namenmonument móét er komen.”

Correctie (21 mei 2019): Bij een eerdere versie van dit artikel stond een artist impression van een eerder plan in het Wertheimpark in Amsterdam. Dat is aangepast.