Geen hapklare opera’s, wel een nieuw publiek

Festival De Rotterdamse Operadagen staan traditioneel garant voor een gevarieerd muziektheaterprogramma. Missie: de grenzen van opera ‘eigentijds oprekken’.

Scène uit Promethe/Plague van de Iraanse Beyn Theatre Group.
Scène uit Promethe/Plague van de Iraanse Beyn Theatre Group. Foto Alborz Teymoorzadeh

Let me hear you shout!”, schalt het luid over het Rotterdamse Stationsplein. Het zal nog even duren voor grote operahuizen hun publiek op deze manier begroeten, maar op de Operadagen in Rotterdam kan het. Zaterdag werd in dat kader het openingsstraatfeest Orfeo & Majnun gevierd, vernoemd naar de mannelijke helften van twee iconische liefdesverhalen (Orpheus & Eurydice en het Arabische Layla & Majnun). Voor in- en uitlopende stationsbezoekers werd ‘de bruiloft’ gespeeld, een Rotterdamse mix van Turkse dans en Bollywood-dans, spoken word en Purcells aria ‘When I’m Laid in Earth’. Elke passant die niet met te veel haast naar een afspraak beende, bleef in een wijde cirkel even plakken. De opening was alvast geslaagd.

Repetitie van Orfeo & Majnun:

Wie vindt dat opera als genre per se moet voldoen aan een stereotype - klassieke zang en een dramatisch verhaal - kan de operadagen misschien beter links laten liggen. Andere smaken worden deze tien dagen juist ruim bediend. Verbindend festivalthema is dit jaar zelfs, toepasselijk, ‘de metamorfose’.

Dat de operadagen geen hapklare muziektheatervoorstelling willen voorschotelen, werd in het openingsweekend onder meer duidelijk in Promethe/Plague, een voorstelling van de Iraanse Beyn Theatre Group (één van de tien winnaars van het uitwisselingsprogramma Music Theatre NOW).

Wie Stravinski’s balletmuziek Le Sacre du Printemps graag eens in operabewerking gebracht zou zien, was hier op zijn plek voor een voorstelling op basis van ‘tribale’ zang en rauwe keelklanken, krachtig en dramatisch.

De mythe van Prometheus, die als straf voor het schenken van vuur en beschaving aan de mens vastgeketend in de Kaukasus dagelijks opnieuw zijn lever moest verliezen aan een hongerige adelaar, werd hier door regisseur Mehdi Agahikeshe verbonden aan een allesvernietigende kracht – uitgebeeld met een snavelmasker dat zowel de adelaar als de pest een gezicht gaf.

Zowel Prometheus als de mens leken er in Agahikeshes visie bekaaid vanaf te komen. Al bood de op oude Iraanse muziek geïnspireerde zang en de met wanhopige expressie uitgestorte monologen in een veelal niet-boventitelde mix van Farsi en een nog ouder Perzisch dialect ook ruimte voor andere interpretaties.

Eenduidiger was Lullaby Movement: a song cycle, waarvoor zangeres/componiste Sophia Brous een kleine twintig slaapliedjes van over de hele wereld verzamelde in Europese vluchtelingenkampen en die met multi-instrumentalist David Coulter verwerkte tot een liedcyclus. De teksten waren hier wel via boventiteling mee te lezen. „Als de kleine zwarte baby niet gaat slapen, dan komt de grote witte duivel en – wham!”, zingen ze in Eritrea.

Brous’ warme stem, die soepel achttien verschillende talen zong, bracht de liederen dromerig, maar zeker niet slaapverwekkend. Een video van een van de vluchtelingenkampen deed de troostende werking van de slaapliedjes bij het ‘zorgeloze’ Rotterdamse publiek aangrijpend omslaan in medelijden. De vraag die restte was wat de vluchteling daarmee moet.

Lullaby Movement: a song cycle

Feit blijft dat de Operadagen Rotterdam al in het openingsweekend een mooi gemêleerd publiek wist te trekken: jong, oud en met veel verschillende culturele achtergronden. De klassieke opera zou zomaar een heel nieuw publiek voor de poorten kunnen hebben staan. Kwestie van het genre even ‘oprekken’.