Opinie

    • Caroline de Gruyter

Nationale politici doen flauw over Europa

Begin mei publiceerde de Bertelsmannstichting een lang rapport over de Europese interne markt, en de landen en regio’s die daar het meest van profiteren. Zwitserland staat bovenaan. Dan volgen Luxemburg, Ierland, Noorwegen, Denemarken, België, Oostenrijk, Nederland en Zweden. Van de twintig regio’s die het meest uit de interne markt halen, liggen er drie in Nederland: Noord-Holland, Utrecht en Noord-Brabant.

Lees dit rapport. Nederlandse media en politici besteden er weinig aandacht aan. Merkwaardig, zo vlak voor de Europese verkiezingen.

Het rapport toont dat regio’s in het hart van Europa het meest verdienen aan de interne markt, vooral diagonaal van linksboven (Noorwegen) naar rechtsonder (Slovenië). De best presterende regio’s zijn het meest internationaal, het meest productief en het meest gedigitaliseerd. Kleinere landen als Nederland en Oostenrijk, aangewezen op de export, halen meer uit de interne markt dan grotere. De groten kampen met interne verschillen. Het oosten van Frankrijk boert goed, evenals het zuidwesten van Duitsland en noorden van Italië. Oost-Duitsland en de Mezzogiorno (het Italiaanse zuiden) scoren belabberd. Zelfs als je naar regio’s kijkt, zie je dat er bij de twintig best presterende regio’s geen enkele Franse of Duitse zit. Een regio die er wél bij zit: de Londense City, in het verder slecht presterende Verenigd Koninkrijk.

Je zou denken dat juist in landen die goed verdienen aan de interne markt de Europese verkiezingsdebatten het meest over inhoud gaan. Over wat er anders moet, wat er beter kan, of wat er moet worden afgeschaft. Nou, vergeet het maar. Je ziet eerder het omgekeerde: hoe kleiner en rijker het land, hoe meer Europa er wordt afgezeken.

Oké, voor Luxemburg en Ierland gaat het niet op. Daar spreken politici veel en graag over Europa en wat ze er doen. Dan Oostenrijk. Dat verdient zich scheel aan de interne markt. Maar het verkiezingsdebat, of wat ervoor doorgaat, gaat over schnitzels. Kanselier Kurz deed vorige week een welbewuste uithaal naar Brusselse ‘reguleringswaanzin’: „Niemand wil EU-beperkingen voor de bereiding van schnitzels en friet!”

Veel Oostenrijkers geloven dat Brussel het krokante gepaneerde schnitzelkorstje wil verbieden, en dat ze voortaan genoegen moeten nemen met bleek, pappig beslag. Nu ís er helemaal geen Europese regeling die voorschrijft hoe je schnitzels bakt. Kurz weet dat natuurlijk. Er bestaat alleen een bepaling waarin staat dat je je schnitzel niet moet laten aanbranden. In verkoold voedsel zit namelijk een stofje waar je kanker van kunt krijgen.

De Belgen en de Denen zitten middenin nationale verkiezingscampagnes. Ook hun komt een debat over Europese defensie of een socialer Europa niet uit. Belgische politici voeren een guerrilla-oorlog over de Belgische pensioenleeftijd. Denemarken ruziet over een voorstel om asielzoekers te weren en buurlanden te helpen ze wél op te vangen.

En Nederland, ook een van de succesnummers van de EU? Een land dat profiteert van de interne markt én, anders dan Zwitserland en Noorwegen, ook meebeslist over de regels die daar gelden? Premier Rutte klaagt dat het Europa-debat van a tot z over Baudet gaat. Daar heeft hij groot gelijk in. Maar dat komt deels doordat hij er zelf zo lang over heeft gezwegen. Dat Baudet alles domineert met exit-fantasieën waar het overgrote deel van de Nederlanders niets in ziet, is erg. Maar dat Rutte hem eigenlijk nooit antwoord gaf, is veel kwalijker.

Het probleem van Europa, dat zijn de nationale politici die haar besturen. Zij nemen de beslissingen. Zij zijn verantwoordelijk voor haar fouten en successen. Als zij blijven zwijgen, en blijven wegduiken voor die verantwoordelijkheid, krijgen de fantasten een walk-over.

Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa.