Opinie

Willie

Marcel van Roosmalen

Sinds ik mijn oudste dochter heb verteld over de bijen is ze verliefd op deze insecten. Ze noemt ze allemaal ‘Willie’ naar ‘Willie’, de niet zo snuggere beste vriend van Maja uit de Japanse tekenfilmserie Maja de Bij die in mijn jeugd werd uitgezonden door de KRO en die we door mijn toedoen nu weer kijken op de computer.

Toen we bij mijn moeder waren stond daar een pot honing op de keukentafel, want haar overbuurman is hobby-imker. Thuis hebben we inmiddels een stuk of acht van die potten versuikerde honing, want ze stopt er altijd wel een ongevraagd in een jaszak of tas, laatst vonden we er drie in de achterbak van de auto. Die moest ze er ongemerkt in hebben gezet.

„Hee!” zei mijn dochter toen ze die pot honing zag staan, „die heeft Willie gemaakt!”

Ze sloeg enthousiast met het kinderbestek tegen de pot.

„Willie heeft dat gedaan!”

Mijn moeder draaide met haar vingers aan een minuscuul knopje van haar gehoorapparaat, meestal wil ze dan wat zeggen.

Weer dat verhaal over de overbuurman, een man met schoenmaat 46 die vroeger bij de douane werkte en nu hobby-imker is.

„Heerlijke honing, ik eet twee potten per week.”

„Nee”, zei ik, „je geeft twee potten per week weg. Dat is wat anders.”

„De etiketten maken ze ook zelf”, ging mijn moeder onverstoorbaar door. „Ik geloof dat zijn dochter dat doet.”

„Willie heeft dat gedaan”, zei mijn dochter.

Bijzondere spraakverwarring, mijn vader heette ‘Wil’. Mijn moeder: „Je moet zeggen ‘opa’ of ‘opa Wil’, niet ‘Willie’…”

Daarna tegen ons: „Aan verkleinwoordjes had hij een hekel. Ik noemde hem nooit ‘Willie’, altijd ‘Wil’. Dan zei ik bijvoorbeeld: ‘Goh Wil, zet ’m eens op een andere zender’. Maar ik zei niet: ‘Willie, zet ’m eens op een andere zender’, of: ‘Willie, geef mij de krant eens’. Dat vind ik zo gebiedend. Nee, hoor: gewoon ‘Wil’.”

„Willie is de vriend van Maja”, zei mijn dochter. „Ze pakken de honing en doen hem in een potje.”

„Wil”, zei mijn moeder, „niet Willie, maar ik heb nog liever dat je opa zegt.”

Als we wilden konden we dit gesprek moeiteloos nog een half uur rekken, dacht ik.

Later zaten we in de kleine achtertuin, de eerste bijen hingen rond de bloesem.

„Opa Willie”, riep mijn dochter verrukt, „hij gaat honingpotten maken.”

Ze bukte zich en plukte een paardenbloem. Daarmee rende ze achter een bij aan. Om te helpen.

„Opa Willie!” riep ze. „Willie!”

Mijn moeder zei dat opa dood was.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.