Werkloosheid en armoede

Italië De zorgen van de Italiaan betreffen vooral de slechte economie.

Turijn, Italië.
Turijn, Italië. Foto Alexander Pohl/NurPhoto

De Corriere della Sera vatte eerder deze maand de stemming in Italië bondig samen in een recensie van het zoveelste boek over de crisis die het land doormaakt: „We zijn depressief, pessimistisch […] want we hebben ieder vertrouwen in de toekomst verloren, iedere hoop om onze omstandigheden te verbeteren.” Het gaat slecht, al jaren. Het Internationaal Monetair Fonds rekende dat onlangs nog eens voor. In de eerste twee decennia van deze eeuw zijn de Fransen er, netto, 13,6 procent op vooruit gegaan, de Nederlanders 21,2 procent en de Duitsers 24,9 procent. Over deze hele periode komen zelfs de Grieken op +2 procent uit, aldus het IMF. Alleen de Italianen staan in de min. Netto -2,7 procent vergeleken met 2001.

Bij de Europese verkiezingen, in Nederland donderdag, spelen zeer uiteenlopende thema’s: Wat zijn de zorgen van een Deen of Roemeen?

Geen wonder dat economische problemen als werkloosheid en armoede bovenaan het zorgenlijstje van de Italiaanse kiezer staan. Daarachter schuilt een reeks onopgeloste problemen: corruptie, de enorme staatsschuld, slecht functionerende justitie, trage bureaucratie, enorme verschillen tussen noord en zuid, de maffia, de hoge belastingdruk en de enorme belastingontduiking.

De grootste bedreigingen voor Europa volgens kiezers in Italië.

Voor veel kiezers is de korte samenvatting: het land is chronisch ziek, met als zondebokken de Europese Unie (die verbiedt meer geld uit te geven) en buitenlandse immigranten (die geld kosten). Vandaar dat 50 procent van de ondervraagden in onderzoek van denktank European Council on Foreign Relations (ECFR) zegt dat de EU Italië afremt; vandaar dat na Griekenland Italië het land met de meeste steun is voor radicale partijen. Vandaar ook dat veel Italianen zich grote zorgen maken over de toekomst voor hun kinderen. Veel jongeren gaan weg omdat ze geen kansen zien in Italië. Op de vraag in het ECFR-onderzoek waar ze het meest bang voor zijn, mensen die komen of mensen die gaan, koos 32 procent voor de vertrekkers, tegen 24 procent voor immigranten. 35 procent zei zich over beide evenveel zorgen te maken.