Jonge Zuid-Soedanese vluchtelingen worden half mei per autobus vanuit de grensstreek naar een vluchtelingenkamp in de Democratische Republiek Congo gebracht. Het aantal vluchtelingen in het gebied is de laatste maanden gegroeid door de toename van gevechtshandelingen tussen Zuid-Soedanese regeringstroepen en rebellen. Foto’s John Wessels/AFP

‘Soedan kan vooruit als de leiders weg zijn’

Sjoerd Zanen Soedan-kenner Antropoloog Sjoerd Zanen werkte in Zuid-Soedan. Hij schreef een boek over zijn ervaringen. Al decennia heerst er strijd in het land, maar „er zijn genoeg competente mensen”.

Paus Franciscus kuste in april hun voeten en bezwoer hen vrede te sluiten. Maar de twee kemphanen van Zuid-Soedan, ’s werelds jongste staat, zijn daar na vijf jaar broederkrijg nog niet klaar voor. Veel aandacht gaat nu uit naar de machtswisseling in (Noord-)Soedan, maar ook in Zuid-Soedan is het nog steeds spannend. De wapenstilstand die president Salva Kiir en zijn gewezen vicepresident, Riek Machar, in september sloten staat onder druk. Na de ontmoeting in Rome zei Machar dat de vorming van een regering van nationale eenheid, die op 12 mei beklonken had moeten zijn, zes maanden moet worden uitgesteld. Het wantrouwen blijft na jaren oorlog groot.

Zuid-Soedan heeft nog maar weinig vrede gekend. Tot de onafhankelijkheid in 2011 was het onderdeel van Soedan, waar de Arabische bovenlaag neerkijkt op het Afrikaanse zuiden met zijn overwegend zwarte bevolking. Het zuiden voerde twee lange burgeroorlogen tegen de centrale regering in Khartoum, van 1955 tot 1972 en van 1984 tot 2005. Daarin vochten de zuiderlingen niet alleen met het regeringsleger van Soedan, maar ook met elkaar. Die etnische tegenstellingen in het zuiden, vooral die tussen de getalsmatig dominante Dinka van Kiir en de Nuer van Machar, hebben de afgelopen decennia geleid tot bloedvergieten op grote schaal. In de jongste gevechtsronde, die begon in 2013, vielen 400.000 doden.

Er zijn niet veel Nederlanders die zo goed de weg weten in het politieke en etnische doolhof Zuid-Soedan als de antropoloog Sjoerd Zanen. Van 1977 tot 1984 werkte hij als ontwikkelingsconsulent in de buurt van Bor, een stadje aan de Nijl. In die jaren werd hij opgenomen in een Dinka-familie. Toen hij vertrok, was de tweede burgeroorlog net uitgebroken en waren Zuid-Soedanese legereenheden onder leiding van de Dinka John Garang in opstand gekomen tegen Khartoum.

Zanen is daarna nog verschillende malen terug geweest. Over zijn ervaringen heeft hij een boek geschreven dat afgelopen najaar verscheen: Tong Mabior. In het gebied van de Boven-Nijl – tussen verleden en toekomst. Tong Mabior (Witte Speer) is Zanens Dinka-naam. Hij schetst een land dat eeuwen heeft blootgestaan aan invasies: Arabische slavenhalers, ontdekkingsreizigers, Britse kolonisatoren, de regering in Khartoum en internationale hulpverleners. Maar in de laatste decennia hebben de Zuid-Soedanezen vooral met elkaar gevochten.

We ontmoeten elkaar in een bistro op station Utrecht Centraal. Zanen is de pensioengerechtigde leeftijd gepasseerd, maar hij onderneemt nog regelmatig korte missies naar Afrika.

Hoe zijn die etnische spanningen in Zuid-Soedan ontstaan?

„De culturen van Dinka en Nuer, allebei veehoudende volken, lijken sterk op elkaar. De Dinka ten oosten van de Nijl hadden vanouds te lijden onder veerooftochten van de Nuer. In de koloniale tijd hebben de Nuer het de Dinka nagedragen dat ze heulden met de Britten. De Dinka’s dachten: laten we maar belasting betalen aan de Britten, want zij kunnen ons beschermen. Dinka’s namen ook dienst in het koloniale leger. Het waren Dinka-soldaten die de Britten hebben aangezet tot de beruchte ‘Nuer settlement’ van 1928, een grootscheepse militaire expeditie, door te beweren dat de Nuer een opstand voorbereidden. Dit is gedocumenteerd door Douglas Johnson, een Brits historicus.

De Dinka’s dachten: laten we maar belasting betalen aan de Britten, want zij kunnen ons beschermen

„Na de onafhankelijkheid in 1956 heeft de autonome regionale regering van het zuiden er alles aan gedaan om de rivaliteit tussen verschillende stammen – want die was er zeker – te dempen. De Britten hadden in het zuiden niets aan onderwijs gedaan, en het eerste wat de Zuid-Soedanezen deden, was dat organiseren. Ik ken Dinka’s die op dezelfde middelbare school hebben gezeten als Riek Machar en andere Nuer, en volgens hen was er toen geen spoor van ressentiment te bespeuren.”

En toen kregen ze een gemeenschappelijke tegenstander: Khartoum. Dat zou toch ook moeten verbroederen?

„Ja. Ik heb Gaafar Nimeiry nog meegemaakt [president van Soedan van 1969 tot 1985]. Hij maakte in 1972 met het verdrag van Addis Abeba een einde aan de eerste burgeroorlog en was heel populair in het zuiden. Later kwam hij onder invloed van de islamitische orthodoxie en heeft hij die populariteit verspeeld. Hij verloor de gunst van de zuiderlingen definitief toen hij hun regionale autonomie terugdraaide. Dat viel samen met de vondst van olie. Vroeger was de enige rijkdom van Zuid-Soedan het water van de Nijl; nu kreeg het noorden ineens enorme belangen in het zuiden. Toen ging het leger rebelleren, Dinka en Nuer samen, te beginnen in Bor. De eerste jaren bestond er geen etnische verdeeldheid in de SPLA, de gewapende arm van de politieke beweging SPLM. Dat begon in 1991.”

Was de toenmalige SPLA-leider, John Garang, te autoritair?

„Ik denk dat het grootste probleem was dat Garang mikte op revolutie in heel Soedan. Zijn ambitie was een multi-etnisch ‘Nieuw Soedan’; hij wilde het land niet opdelen. Terwijl anderen van meet af aan gingen voor afscheiding.

„Wat ook een rol heeft gespeeld is de frustratie onder Nuer dat een Dinka, John Garang, uiteindelijk de militaire en politieke leider van SPLA werd. Dat gebeurde onder invloed van buurland Ethiopië, dat de rebellen een uitvalsbasis had geboden. Voor Nuer moet dat zoiets zijn geweest als de omgekeerde wereld; ik weet zeker dat dit heeft meegespeeld bij Machar. Hij kon het leiderschap van Garang niet aanvaarden en begon voor zichzelf. Oude verhalen over succesvolle Nuer-raids van weleer en persoonlijke ambitie versterkten elkaar.”

Machar kon het leiderschap van Garang niet aanvaarden en begon voor zichzelf

Maakte Machar gebruik van die oude verhalen?

„Ja. Hij mobiliseerde Nuer tegen Dinka en daarbij heeft hij de traditie heel bewust gebruikt. Met een beroep op voorspellingen van een 19de-eeuwse Nuer-profeet mobiliseerde hij een jongerenleger, dat zich uitdoste met witte as, witte omslagdoeken en witte vechtsperen, de White Army. Een zelfbenoemde profeet, Wut Nyang, beloofde hen Dinka-vee en vrouwen, en Machar stuurde ze naar het zuiden, naar Bor. De White Army heeft een ware genocide aangericht onder de Dinka. Daarna is het nooit meer goed gekomen.”

Opmerkelijk is het gemak waarmee Machar samenwerkte met Khartoum.

„Louter opportunisme. Dat past in het cultuurpatroon van deze Niloten [Nijlveehouders]. Als het met de een niet lukt, ga je een bondgenootschap aan met de ander. Dat is in de burgeroorlog steeds zo gegaan. Rebellenleiders zijn huwelijken aangegaan en hebben hun dochters uitgehuwelijkt om clans en substammen te binden. Daarmee waren enorme hoeveelheden koeien gemoeid. Op een gegeven moment zat Machar zo in het nauw dat hij ging samenwerken met Khartoum.”

Rebellenleiders zijn huwelijken aangegaan en hebben hun dochters uitgehuwelijkt om clans en substammen te binden

Is Machar zoveel erger dan andere krijgsheren?

„Salva Kirr, de huidige president (een westelijke Dinka) heeft ook verschrikkelijke dingen uitgehaald. Nadat Garang in 2005 was omgekomen bij een helikopterongeluk heeft Kiir diens hele entourage op een zijspoor gezet en de leiding van de beweging overgenomen.

„Mijn grote probleem met Machar is wat hij heeft gedaan in 2013, nadat hij door president Kiir was ontslagen als vicepresident en vervolgens werd beschuldigd van een couppoging. Ik heb in 2015, toen ik weer in Zuid-Soedan was, geprobeerd te achterhalen wat er toen is gebeurd. Machar is gevlucht uit de hoofdstad Juba en heeft in Bor opnieuw een slachting aangericht. Weer met de White Army. Die was al in Bor voordat er problemen waren in Juba. De mensen daar vroegen zich af wat die lui kwamen doen. Toen Machar arriveerde, werd hij meteen opgevangen. Weer ging hij er tekeer en weer vielen er meer dan tweeduizend doden. Onder wie veel leden van mijn familie.”

Gezien de aanhoudende strijd zien sommige waarnemers alleen een oplossing in een regionaal interventieleger.

„Een interventieleger – dat zie je met de VN-missie UNMISS – kan niet neutraal blijven. Er zal altijd onderhandeld moeten worden; dat was zo in Rwanda en ook in Joegoslavië. En dan wordt zo’n leger partij. Oegandese troepen intervenieerden sinds 2013 aan de kant van de regering-Kirr en werden zo deel van het probleem. De oplossing kan alleen van de Zuid-Soedanezen zelf komen. Maar eerst moeten Kiir en Machar weg. Er zijn genoeg competente mensen in Zuid-Soedan die er iets van zouden kunnen maken. Als deze generatie leiders verdwijnt, dan staan er mensen op die geen trauma’s hebben opgedaan in de oorlog en in de vluchtelingenkampen. Dan heb je kans dat het wat wordt.”