Rembrandt en het Rijksmuseum, dat genereert gulheid

Kunstaankoop Een van de allermooiste Rembrandts, nu in Franse handen, zou naar Nederland kunnen komen. Maar hoe krijg je 165 miljoen bij elkaar?

‘De vaandeldrager’ (1636) van Rembrandt van Rijn is nu nog in handen van de Franse familie Rothschild.
‘De vaandeldrager’ (1636) van Rembrandt van Rijn is nu nog in handen van de Franse familie Rothschild.

Hoe krijg je als museum 165 miljoen euro bij elkaar voor een gedroomde kunstaankoop? Die vraag is actueel sinds vorige week maandag duidelijk werd dat het Rijksmuseum Rembrandts meesterwerk De vaandeldrager (1636) wil overnemen van de Franse bankiersfamilie Rothschild.

Nog nooit telde een Nederlands museum zo’n hoog bedrag voor een kunstwerk neer. Voor wie 165 miljoen een te abstract bedrag is: dat is twee Joint Strike Fighters, of een nieuwe iPad voor alle 538.000 inwoners van Den Haag. Volgens een kenner die De vaandeldrager in de ogen keek, gaat het dan ook om „een schilderij van onschatbare waarde”, een van de allermooiste Rembrandts.

De huidige eigenaren, de kinderen van de in 2007 overleden Élie Robert de Rothschild, meldden de voorgenomen verkoop juli 2018 op het ministerie van Cultuur in Parijs. Volgens de doorgaans welingelichte Franse journalist Didier Rykner werden ze daarbij vergezeld door een advocaat van het Rijksmuseum. De jurist zou hebben aangegeven dat het museum het schilderij wilde kopen.

Bluf? Het is de eerste gedachte voor wie zich het gemekker herinnert over de twee duurste Nederlandse museale aankopen ooit. Toen de Nederlandsche Bank in 1997 stilletjes 37 miljoen euro bleek te hebben geschonken voor de aankoop van Mondriaans Victory Boogie Woogie, moest minister Zalm zich in het parlement verantwoorden. En toen Frankrijk zich mengde in de strijd om de door het Rijksmuseum begeerde Marten & Oopjen moest de Nederlandsche Staat in 2016 snel 80 miljoen neertellen om ten minste nog een gezamenlijk Frans-Nederlandse aankoop mogelijk te maken.

Is flirten met De vaandeldrager dan geen luchtfietserij? Nee, zeggen betrokkenen bij de Marten & Oopjen-transactie. Als lering wordt getrokken uit de eerdere grote Rembrandt-aankoop is het bijeenbrengen van de gevraagde 165 miljoen „zeker niet ondenkbaar”.

Vier aanwijzingen:

1 Profiteer van de gunfactor

Het Rijksmuseum en Rembrandt zijn „triple A-merken met een hoge gunfactor”. Geen andere combinatie kan zoveel gulheid genereren: Rembrandt is immers Nederland, en Nederland is Rembrandt.

Toen Eric de Rothschild in 2015 Marten & Oopjen voor 160 miljoen te koop aanbood, slaakten diverse bestuurders van het Rijksmuseum een diepe zucht: zo’n bedrag, daar was toch geen beginnen aan? Maar al snel besefte de directeur dat „als ergens in de wereld een belangrijke Rembrandt gaat bewegen, de directeur van het Rijksmuseum ook in beweging moet komen”. Dus nu een weer een top-Rembrandt aan de markt komt, een van de laatste in privé-bezit, is stil blijven zitten geen optie.

2 Oefen druk uit

Voor een majeure aankoop is steun verwerven in politiek Den Haag een must. Bij Marten & Oopjen liet premier Rutte zich aansteken door het enthousiasme van zeven fractievoorzitters in het parlement, die door toenmalig D66-fractievoorzitter Pechtold waren warm gemaakt voor een staatsaankoop van de huwelijksportretten. Als één minister het plan niet had gedwarsboomd, zegt een betrokkene, waren de schilderijen vermoedelijk betaald uit het begrotingsoverschot.

Verdubbel de donaties die het Rijksmuseum genereert. Die overheidstoezegging zou voor De vaandeldrager kunnen worden afgesproken, zegt een betrokkene. „Double the money, dat scheelt de helft.”

3 Verken fiscale grenzen

Particuliere donateurs zegden het Rijksmuseum vier jaar geleden zeker 50 miljoen euro toe voor Marten & Oopjen. Aangevuld met eigen middelen, een lening en donaties van loterijen en fondsen was het museum van plan ‘Marten’ dan wel ‘Oopjen’ en het liefst beide portretten aan te kopen. Een voornemen dat door de plotselinge inmenging van Frankrijk werd doorkruist.

Met welk fiscaal voordeel de gulle gevers verleid werden, kan worden opgemaakt uit ambtelijke stukken die NRC in 2016 in handen kreeg door een beroep op de Wet openbaarheid bestuur (Wob).

Direct betrokkenen zeggen dat de Belastingdienst had ingestemd met een ruimere interpretatie van de weinig bekende ‘kwijtscheldingsregeling’. Met kunst die van belang is voor de ‘Collectie Nederland’ kunnen erven daarmee sinds 1 januari 1997 successierechten voldoen. Fiscaal voordelig, want ze mogen 120 procent van de waarde van het betreffende kunstwerk in mindering brengen op te betalen erfbelasting.

De crux van het museumplan was dat vermogende Nederlanders voor een deel eigenaar zouden worden van de aan te kopen Rembrandt. Bij overlijden van de certificaathouder zouden zijn erven het eigendomsbewijs kunnen inwisselen tegen een korting op de successie. Een certificaat van 5 miljoen zou bij overlijden dus 6 miljoen erfbelasting waard zijn, een rendement op investering van 20 procent. De direct betrokkene: „Met de warme hand schenken is ook veel leuker dan met de koude hand.”

Kunstadviseur Johan Bosch van Rosenthal spreekt van „een prachtige regeling voor zeer vermogenden”. Een hoogbejaarde miljardair, zegt hij, zou er met een schenking van De vaandeldrager voor kunnen zorgen dat zijn erfgenamen binnen afzienbare tijd 198 miljoen (165 + 20 procent) successie wordt kwijtgescholden.

Ook Fusien Bijl de Vroe, de voorzitter van de Vereniging Rembrandt, een steunfonds voor kunstaankopen, roemt de inventiviteit van het Rijksmuseum. „Door de gestegen prijzen kunnen we alleen nog topkunst blijven verzamelen als overheid én particulieren zich samen daarvoor inzetten.”

Mogelijk probleem is wel dat de huidige staatssecretaris Menno Snel (Financiën, D66) vindt dat de kwijtscheldingsregeling niet bedoeld is voor museumaankopen met certificaten. Tijdens deze kabinetsperiode, zegt een woordvoerder, zal de regeling dus niet zo worden toegepast.

Van diverse zijden wordt echter aangedrongen op uitbreiding van de kwijtscheldingsregeling, schreef A. van Eijsden, beleidsadviseur op het ministerie van Financiën, in maart in het Weekblad fiscaal recht . Dus wellicht is de bewindsman met enig lobbywerk tot andere gedachten te brengen.

4 Help donateurs met financieren

Ook vermogende donateurs hebben lang niet altijd grote bedragen liquide. Het Rijksmuseum, zegt een direct betrokkenen, had met een grote Nederlandse bank afspraken gemaakt dat de gulle gevers met hun certificaat als onderpand het schenkingsbedrag tegen gunstige condities konden lenen.

Het Rijksmuseum wilde vorige week geen vragen over De vaandeldrager beantwoorden. „Aankoop is niet aan de orde, want er is geen exportvergunning”, was alles wat een woordvoerder er desgevraagd over kwijt wilde.

Daarmee werd verwezen naar de beslissing van de Franse minister van Cultuur om de Rembrandt tot nationaal erfgoed te bestempelen. Franse musea hebben daardoor tot november 2021 de tijd om het aankoopbedrag bij elkaar te krijgen. Pas daarna is een Nederlandse aankoop eventueel aan de orde.

De Franse kunsthistoricus Rykner voorspelde dat De vaandeldrager uiteindelijk in Amsterdam komt te hangen. Door de gele hesjes en de brand in de Notre Dame, stelde hij, zullen de Franse overheid en Franse particulieren een aankoop niet kunnen of willen steunen.

Nonsens, zegt een Franse betrokkene. Met het exportverbod zijn de kansen van het Rijksmuseum volgens hem verkeken. „Dit schilderij is te belangrijk, dat laten de Fransen niet meer gaan. Over twee jaar zijn de gele hesjes passé. En van het opgehaalde miljard voor de restauratie van de Notre-Dame zullen honderden miljoenen overblijven.”