Toch geen verbod ruwe borstimplantaten

Het RIVM concludeert dat er te weinig bewijs is om vast te stellen dat alle ruwe borstimplantaten lymfeklierkanker kunnen veroorzaken.

Een borstimplantaat.
Een borstimplantaat. Foto iStock

Ruwe borstimplantaten blijven op de Nederlandse markt. Dat maakte minister Bruno Bruins (Medische Zorg, VVD) donderdag bekend. Bij één type implantaat bestaat volgens het RIVM weliswaar een verhoogd risico op kanker, maar dat is niet meer op de markt. Het verbieden van alle ruwe implantaten is volgens de bewindsman een „te rigoureuze en disproportionele maatregel”.

Bruins stelde vorige maand onderzoek in nadat Frankrijk uit voorzorg ruwe implantaten van de markt had gehaald omdat deze kankerverwekkend zouden zijn. Hij verzocht plastisch chirurgen om zolang dit onderzoek liep voorlopig geen gebruik te maken van deze zogenoemde macrogetextureerde borstimplantaten. Volksgezondheidsinstituut RIVM concludeert nu dat bij Biocell-implantaten van Allergan een verhoogd risico bestaat op een zeldzame vorm van lymfeklierkanker. Deze worden in Europa sinds eind vorig jaar niet meer verkocht.

Dilemma

Enkele vrouwen met ruwe borstimplantaten van een ander merk hebben dezelfde vorm van lymfeklierkanker. Volgens het RIVM is echter niet hard te maken dat dit betekent dat alle macrogetextureerde implantaten een verhoogd risico op kanker met zich meebrengen.

Bruins spreekt in zijn brief aan de Tweede Kamer van een „dilemma”. Hij wil vrouwen niet de kans ontnemen borstimplantaten te nemen. Wel stelt de minister dat artsen terughoudend moeten zijn met het gebruik van de implantaten.

Lees ook: Misbruikt als 19de-eeuwse Wehkampcatalogus voor de plastisch chirurg

De Nederlandse Vereniging van Plastische Chirurgie (NVPC) schrijft in een brief aan Bruins blij te zijn dat er „helderheid is gekomen voor patiënten en artsen”. De belangenorganisatie pleit voor meer internationaal onderzoek naar de veiligheid van borstimplantaten. Ook wil de NVPC een landelijke registratieverplichting van borstimplantaten en. De vereniging is hierover in gesprek met de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.