Brieven

Hoogleraar B. (1)

De rechtbank verbiedt de journalistiek haar taak te doen

Zowel het artikel Bij hoogleraar B. moesten de vrouwen hakken dragen (15/5) als de verantwoording daarover laat niets aan duidelijkheid te wensen over. De uitspraak van de rechtbank dat B. niet voluit genoemd mag worden is verontrustend. Daar zijn ze van mening dat de aanmerking ‘publiek figuur’ van de hoogleraar en raadsheer (wie kent deze man?) voldoende is om hem niet met naam te mogen noemen. Ondanks het in rechte vastgestelde feit dat het artikel op voldoende basis is gestoeld. Tegelijkertijd vindt de rechtbank dat de feiten onvoldoende zijn om de oud-raadsheer aan de schandpaal te nagelen. Een ernstige dwaling. Indien een Kamerlid beschuldigd wordt van mishandeling van zijn vriendin, of een bestuurslid van een politieke partij van een greep uit de partijkas, dan mogen die publieke figuren met volledige naam in de krant. Zónder dat de feiten zijn vastgesteld door een rechtbank. En terecht! Het verbieden van het noemen van een naam van een veel minder publiek figuur maar wel ‘hoogleraar’ en ‘raadsheer’ leidt mij tot de conclusie dat hier sprake is van klassejustitie. In hoger beroep zal de uitspraak worden vernietigd, lijkt me. Om in dit alles nog niet eens te spreken van de plicht van de journalistiek om misstanden kenbaar te maken en het publiek te waarschuwen tegen wangedrag van (ook publieke) personen.


advocaat, Amsterdam