Opinie

Hoe een zwijgcultuur over wangedrag aan de universiteit werd doorbroken

De ombudsman

Soms krijg je waar je om vraagt – en flink wat meer. Vorig jaar signaleerde ik hier een discrepantie tussen een twee pagina’s tellend #MeToo-stuk over een Utrechtse kankeronderzoeker die met naam en toenaam werd genoemd, en een kortje over een naamloze hoogleraar in Amsterdam die, diezelfde week, wegens „grensoverschrijdend gedrag’’ ontslag had moeten nemen.

Die discrepantie is rechtgetrokken – en hoe. Vijf pagina’s trok de krant woensdag uit voor een huiveringwekkende reconstructie van de val van deze Amsterdamse hoogleraar arbeidsrecht. Jarenlang maakte hij zich schuldig aan wangedrag, inclusief seriële seksuele opdringerigheid, intimidatie en het rondsturen van porno. De universiteit deed niets, totdat – veelzeggend – een ‘blik van buiten’ noopte tot ingrijpen.

Het stuk baarde opzien, ook in de brievenrubriek, en terecht. Niet alleen omdat het zo ontluisterend was, maar ook omdat de rechter NRC verbood de naam van de hoogleraar te noemen (al is die nu met een muisklik te vinden, het Streisand-effect van het vonnis). Het artikel was relevant, oordeelde de rechter, en journalistiek zorgvuldig – en daar ben ik het mee eens. Ook de „ernstige beschuldigingen’’ zijn onderbouwd. Toch ging het noemen van zijn naam de rechter te ver.

Dat had een opmerkelijk neveneffect: ik kreeg nauwelijks boze lezerspost over dit stuk, terwijl het klachten regende over het artikel over de met naam genoemde Utrechtse kankeronderzoeker.

Vergeleken met dat artikel legt de Amsterdamse reconstructie dan ook nadrukkelijker een patroon bloot, zowel in de omvang van het wangedrag als in het jarenlange onvermogen van een organisatie om ertegenop te treden. In het relaas over de Amsterdammer komt een reeks vrouwen langs bij wie de man zich misdroeg, over een periode van ten minste vijftien jaar. Klachten werden niet serieus genomen.

Vooral die institutionele misstand bleek voor de rechter ,,van zwaarwichtig belang’’, méér dan het noemen van de naam van de hoogleraar. Overigens was die voor de krant zelf ook geen sine qua non want na het vonnis werd de productie niet uitgesteld, in afwachting van hoger beroep, maar zonder de naam afgedrukt. Dat legt, zou je zeggen, een zekere hypotheek op het hoger beroep. Maar, zeggen de verslaggevers, publicatie kon niet langer wachten omdat ze hun bronnen, met wie ze intensief contact hadden, wilden beschermen tegen druk van de inmiddels ex-hoogleraar.

Intussen legt het vonnis opnieuw de ambivalentie bloot in #MeToo-onthullingen. Gaat het erom een concrete misstand aan de kaak te stellen en te stoppen, of is het doel vooral een organisatorische cultuur bloot te leggen waarin seksueel wangedrag jarenlang kan blijven doorgaan?

Journalistiek gesproken kun je zeggen: allebei. Je doet het één door middel van het ander. Maar er is wel een verschil in accent: voor het aanklagen van een individu is namen noemen nodig, voor het schetsen van een cultuur veel minder. Dan dient zo’n zaak als illustratie, waarin structuren belangrijker zijn.

De rechter zat nu duidelijk op die tweede lijn. Daar kun je het mee oneens zijn, getikt is het niet. Ook kranten maken zulke afwegingen; gisteren publiceerde de Volkskrant een groot stuk over een wegens wangedrag ontslagen chirurg in Enschede – anoniem, met de mededeling dat privacy „ditmaal’’ zwaarder woog.

Het onderzoek van NRC heeft ook zonder naam zijn doel bereikt – het blootleggen van het gedrag én de cultuur van bagatellisering – maar ik had het noemen van de hoogleraar ook verdedigbaar gevonden, gezien de omvang en ernst van de zaak. In een eerdere, onthullende #MeToo-inventarisatie van Science Guide, dat tal van verhalen van vrouwen verzamelde, was álles geanonimiseerd, ook vakgroepen en universiteiten. Dan kan iedereen zijn schouders ophalen: gaat niet over ons.

Relevant is daarbij ook de vraag of de krant een nog voortdurende misstand onthult, of dat er al lang en breed een eind aan is gemaakt. In het eerste geval is het maatschappelijk belang acuut en is ook namen noemen urgent, in het tweede geldt dat minder.

Toegepast op dit artikel: als het niet zo uitgebreid was gepubliceerd (met of zonder naam maar hoe dan ook herkenbaar en gedetailleerd) was de zaak waarschijnlijk onder de pet gebleven; er lag een geheimhoudingsverklaring van de universiteit. Dat het stuk een snaar raakt, blijkt uit de barrage aan reacties die de verslaggevers ontvangen, vooral verheugde dat van een dergelijke zaak nu eens de deksel is gelicht.

Proportionaliteit is ook een punt. Het contrast is groot tussen het gedetailleerde portret van de hoogleraar, inclusief zijn karakterologische inboedel, en de diepe anonimiteit van zijn aanklagers. Hun beweringen zijn zo veel mogelijk geverifieerd, maar namen ontbreken, evenals aanduidingen van hun loopbaan of maatschappelijke positie.

Kan dat anders? Het kostte de verslaggevers maanden moeite om bronnen zover te krijgen dat ze iets over de zaak wilden zeggen, zelfs anoniem. De schaamte en angst voor repercussies zijn groot. Dat is begrijpelijk. De zaak is recent, de wereld van het arbeidsrecht is klein en afhankelijkheidsrelaties zijn kort.

De consequentie is alleen wel, dat „de vrouwen’’ een schimmig achtergrondkoor blijven. Een opvallend verschil met de VS, waar #MeToo-zaken aan het rollen kwamen omdat vrouwen gezamenlijk naar buiten traden. Zulke catharsis is misschien ook eerder een Amerikaanse dan een Nederlandse eigenschap.

Toch zou je hopen dat ooit ook slachtoffers in dit geval zich kunnen en willen uitspreken, los van wat een rechter vonnist.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.