Opinie

    • Josef Früchtl

Hoe B. kon doen wat hij deed

Machtsmisbruik Het competitieve en hiërarchische klimaat op universiteiten schept ruimte voor wangedrag, schrijft

De Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de UvA.
De Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de UvA. Foto: Rob van Dullemen

Als je deze dagen op de universiteit bent en met collega’s of studenten praat, is er maar één thema: ‘hoogleraar B.’ De mensen zijn allemaal verbijsterd. Ze vragen zich af hoe dit kon gebeuren. Met ‘dit’ bedoelen ze echter niet zo zeer het gedrag van de beruchte hoogleraar, maar veeleer het volledige falen van de instelling, in dit geval de Faculteit der Rechtsgeleerdheid en het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam. Als geen leidinggevende en decaan het probleem waarneemt, serieus neemt en ingrijpt, dan weet je dat de fout niet bij mensen ligt, maar is ingebakken in de structuur.

Hoogleraren hebben van oudsher privileges bij de universiteit. Ze vormden tot voor kort een academische aristocratie. De studentenrevolte van 1968 heeft dit machtsblok weliswaar ondermijnd maar niet gesloopt. Als student in Frankfurt in de late jaren 70 kon ik elke week zien hoe de hooggeleerde professor voor Kritische Theorie de collegezaal binnenkwam gevolgd door een (mannelijke) assistent die zijn aktetas droeg.

Medezeggenschap is beperkt

De sociale verhoudingen aan een universiteit waren dus altijd strikt hiërarchisch. De pogingen in 1968 om meer rechten te creëren voor gewone docenten, studenten en niet-wetenschappelijke medewerkers werden in de afgelopen decennia geformaliseerd. Dat resulteerde in medezeggenschapsorganen waarvan de invloed zeer beperkt is.

De waarheid is wrang: officieel is de universiteit de plek waar democratisch mondige burgers worden gekweekt, maar de mensen die er werken, worden bejegend als kleine kinderen die niet over zichzelf mogen beslissen. Dat doen anderen, de ‘ouders’, belichaamd door decanen en het College van Bestuur. Een paternalistische maatschappij dus.

Afdelingsvoorzitters mogen met voorstellen bij decanen en leden van het college langskomen, maar ze mogen niets beslissen. Ze zijn geen heer en meester in eigen huis: de afdeling. De docenten hebben al helemaal niets te vertellen.

Competitie verziekt de werksfeer

Deze hiërarchische, autoritaire structuur vormt een fundamentele pijler van de hedendaagse universiteit. Maar de afgelopen tien jaar kwam er een tweede element bij: competitie. Dit werd overgenomen uit de economische theorie die inmiddels een ideologie is geworden. Wij noemen haar ‘neoliberalisme’, maar in feite gaat het om marktradicalisme. Het verziekt de werksfeer binnen de wetenschappelijke gemeenschap en dat is logisch. Als je met collega’s moet concurreren om subsidiegelden, neemt vanzelf het gemeenschapsgevoel af.

Voeg die twee elementen – hiërarchie en competitie – samen en je begrijpt waarom mensen zoals hoogleraar B. kunnen doen wat ze doen. Studenten en jonge docenten zijn binnen zo’n systeem ten principale afhankelijk. Als ze geluk hebben, is hun hoogleraar en leidinggevende aardig. Maar hij of zij is hoe dan ook de baas en bepaalt of jij vooruit komt in je carrière.

Schokkend dat UvA geen inzicht toont

Het hoort bij de schokkende ervaring omtrent het verhaal over professor B. dat de UvA, gerepresenteerd door de betreffende faculteit en het College van Bestuur, geen inzicht toont in de structurele omstandigheden die machtsmisbruik in de hand werken. Men bagatelliseert het geheel. ‘Het was maar een gebeurtenis bij een kleine groep binnen een faculteit’.

Lees ook: waarom Eelco Runia ontslag nam bij de universiteit

Ofwel men stuurt mededelingen naar het publiek die een goedkope kopie zijn van de gebruikelijke policy speech: Je geeft iets toe, maar alleen in kleine brokjes (‘wat jammer dat in dit geval de signalen niet werden vernomen’), dan geef je een principieel statement (‘grensoverschrijdend gedrag mag niet’) en tot slot verklaar je dat je al maatregelen voor een betere toekomst hebt genomen (‘jaargesprekken, cursussen voor leidinggevenden’, etc.). Toen het CvB eindelijk had begrepen dat iemand als B. moet worden ontslagen, stuurde men een magere mededeling rond waarin de casus zo klein mogelijk werd gehouden en men zich verstopte achter ‘privacy’. De journalisten van NRC hebben laten zien hoe het beter kan.

In reactie op de strategie van geheimhouding en bagatellisering zouden we de methodologie van het extreme weer eens kunnen toepassen. Juist wat extreem lijkt, laat zien wat er in essentie aan de hand is. Als je wilt weten hoe het staat met een maatschappij, kijk naar de gevangenissen (Tolstoi). De cruciale vraag omtrent B. moet dus zijn: Hoezo was zulk gedrag überhaupt mogelijk? Wat zegt het over de instelling die dit gedrag mogelijk maakt?

De UvA heeft nu haar Weinstein schandaal. We zouden niet verrast moeten zijn als #MeTooUva volgt. Dan zou helemaal duidelijk zijn dat het extreme normaal is.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.