Opinie

    • Frits Abrahams

Een belrondjemet T.

‘Naar jou toe wil ik dit rechtzetten.” Aldus Ridouan T., de meest gezochte crimineel van Nederland, in een persoonlijk bericht aan Peter R. de Vries. T. ontkent dat hij De Vries op een dodenlijst heeft gezet, zoals het Openbaar Ministerie aan De Vries had laten weten.

Vertederend vond ik het welzijnsjargon van T. – ik wist niet dat topcriminelen dat ook al in huis hadden – maar zou ik dit bericht zelf ook zo geruststellend hebben gevonden als De Vries, die „ernaar neigt dit te geloven”?

Ik vond het een nogal uitsloverig bericht met passages als: „Ik heb geen enkele reden om jou iets te doen. Je kunt gaan en staan waar en wanneer je wilt, zonder dat je ook maar enig gevaar van mij hebt te duchten. Ik heb als jongen altijd heel geboeid naar je tv-programma gekeken. Geen haar op mijn hoofd die eraan denkt om jou iets aan te doen. Ik heb 100.000 procent niets tegen jou.”

Hoe zou ik zelf op zo’n bericht reageren? Ik zat er nog over te piekeren toen opeens de telefoon ging en een zachte stem met een accent dat herleidbaar was naar zowel Utrecht als Noord-Afrika, uiterst vriendelijk zei: „Met Ridouan, heb je even een momentje?”

„Natuurlijk”, zei ik met een tegenwoordigheid van geest die me zelf verbaasde.

„Het OM probeert mij met allerlei leugens te framen als volksvijand”, zei de stem, „en daarom doe ik nu een belrondje met wat columnisten om mijn naam te zuiveren.”

„Toch geen columnisten die toevallig op je dodenlijst staan?’’ vroeg ik voor de zekerheid.

Er viel een korte stilte. Toen hernam de stem met een zekere gelatenheid: „Ik héb helemaal geen dodenlijst. En als ik er een had, zou jij er zeker niet opstaan. Ik geniet al jaren van jouw columns, het is het eerste dat ik lees als ik de krant opensla. Ik heb er zelfs een abonnement op NRC voor genomen, eerst nog zo’n proefabonnement met korting, en later, toen de zaken beter liepen, een gewoon abonnement.”

Ik zweeg. Het is altijd lastig om op complimenten te reageren en zeker als ze uit zo’n onverwachte hoek komen.

„En weet je welke van je columns ik de beste vind?” vroeg hij. „Die over de poezen! Zó aandoenlijk soms. Zo’n zwerfkatje dat verkeerd behandeld wordt door een dierenarts en dat dan een vreselijke dood sterft… Weet je nog welke dierenarts dat was? Ik wil best even bij hem langsgaan voor een gesprekje over medische ethiek…”

„Laat maar”, zei ik snel, „hij is al genoeg gestraft.”

„Je blijft toch wel die columns schrijven?” vroeg hij bezorgd.

„Weet ik niet, dat hangt ook van de nieuwe hoofdredacteur af”, zei ik.

„Ja!” riep hij, „wanneer komt die nou eindelijk? Als jullie niemand kunnen vinden, wil ik wel in mijn eigen omgeving zoeken.”

„We komen er wel uit”, zei ik zo luchtig mogelijk. Om een of andere reden begon ik hartstochtelijk naar het einde van het gesprek te verlangen. „Wil je nog wat telefoonnummers van collega-columnisten?” vroeg ik.

„Daar heb ik al een lijst van”, zei hij. „Ik heb nog één verzoek: als je over dit gesprek gaat schrijven, wat ik je overigens niet kan aanraden, gebruik dan alleen de initiaal van mijn achternaam.”

„Uiteraard”, zei ik gedwee, „dat wordt ons wel vaker opgelegd.”