Kathrine van den Bogert: „Ik ontdekte dat voor deze meiden hun moslimachtergrond nauwelijks een rol speelt.”

Foto Robin Utrecht.

‘De moslima’s op het Oranjeplein zijn vooral voetballer’

Kathrine van den Bogert Promovendus culturele antropologie Meisjes die mee willen doen aan pleintjesvoetbal worden niet zomaar toegelaten door de jongens. Ze worden ook anders gecoacht.

Kreten klinken over het Oranjeplein aan de rand van de Haagse Schilderswijk. Het heeft de hele dag geregend, maar precies op het juiste moment – na schooltijd – is de zon doorgebroken. En dus wordt er gevoetbald op het veldje dat midden op het plein is aangelegd. Een dozijn kinderen rent onder begeleiding van twee medewerkers van Streetsport Den Haag achter een bal aan. Het zijn allemaal jongens, meisjes zijn er niet bij.

Langs het veld staat cultureel antropoloog en genderwetenschapper Kathrine van den Bogert. Ze is onlangs gepromoveerd op het proefschrift Playing Gender, Religion, and Ethnicity. Girls’ Football and Public Playgrounds in the Schilderswijk. Daarvoor deed ze twee jaar lang veldwerk op dit soort voetbalpleintjes en sprak ze met tientallen meisjes die een plekje hadden weten te veroveren op het veld. „Veroveren inderdaad, want de jongens lieten ze niet zomaar toe.”

Hoe kwam u op het idee onderzoek te gaan doen naar straatvoetbal spelende meisjes?

„Ik ben geïnteresseerd in het bestuderen van informele verbanden, zoals straatcultuur. Mijn dissertatie maakt deel uit van een groter onderzoeksproject van de Universiteit Utrecht en de Universiteit Leiden naar vrouwen- en meisjesvoetbal in Nederland. Ik wilde geen onderzoek doen naar clubvoetbal, maar het idee om voetbal als onderdeel van de straatcultuur te bestuderen, sprak me wel erg aan.

„Ik was geen voetbalfan voordat ik aan dit onderzoek begon, maar ik ben het echt leuk gaan vinden – en heb zelfs af en toe meegespeeld. Het feit dat ik niet zoveel wist van voetbal – en bijvoorbeeld niet alle namen van beroemde spelers kende – was op zich geen probleem. De vragen die ik daarover stelde aan de meisjes dienden als de opening voor een gesprek.”

Hoe heeft u uw onderzoek aangepakt?

„Ik ben begonnen met het bezoeken van de wedstrijden die in Den Haag op de Cruyff Courts plaatsvinden. Daar worden meiden- en jongenscompetities georganiseerd. Ik ben gewoon langs de lijn gaan staan en heb meisjes aangesproken nadat een wedstrijd was afgelopen, of als ze werden gewisseld.

„Het viel niet mee om contact met ze te maken, want in deze periode was de Schilderswijk veel in het nieuws en de buurt werd overspoeld door onderzoekers en journalisten. Aanvankelijk hadden ze daarom geen zin om mijn vragen te beantwoorden. Maar ik stond er de dag erna gewoon weer, en de dag daarna ook, en de week erna ook. Toen ze zagen dat ik echt in hen geïnteresseerd was, lieten ze hun reserves varen.

„Ze vonden het leuk dat er specifiek onderzoek werd gedaan naar meisjesvoetbal. Dat was een bevestiging dat ze meetelden. Op een geven moment begonnen de jongens op de pleintjes naar mij toe te komen met de vraag wanneer ik hen nu eens ging ondervragen. Ze waren duidelijk niet gewend dat alle aandacht naar de meiden ging.”

Wie speelden er voetbal op de pleintjes?

„Dat waren voornamelijk Nederlands-Marokkaanse meiden, maar er deden ook meisjes van andere achtergronden aan mee. Het was een redelijke afspiegeling van de bevolkingssamenstelling van de Schilderswijk.”

Wat wilde u weten van de speelsters?

„Ik begon meestal met de vraag of ze hier vaker voetbalden. Dan kwam soms meteen het hoge woord eruit: voor jongens wordt veel vaker iets georganiseerd; het is voor ons moeilijk om ertussen te komen.

Er is een speciaal uur voor de meisjes, met de impliciete boodschap dat de rest van de week voor de jongens is

„Organisatoren doen wel hun best om meisjes erbij te betrekken, maar je ziet dat de meiden ook dan vaak anders behandeld worden. Jongens krijgen coaching op het gebied van techniek en tactiek, terwijl de aanwijzingen voor meisjes meer in de geest waren van: niet teuten, lekker voetballen. Of er was een speciaal meisjesuur waarop ze mochten voetballen. Daarmee geef je dus impliciet aan dat de rest van de week voor de jongens is.”

Dat speelde bij toernooitjes die door de gemeente of wijksportorganisaties werden georganiseerd. Hoe ging het er aan toe op een gewone middag na schooltijd?

„De meiden zeiden vaak dat de jongens alle ruimte innamen op het veld. Zij kregen nooit de bal. Of dat ze werden weggestuurd als zij er al aan het spelen waren. Die strijd om het aanwezig mogen zijn op het pleintje is duidelijk onderdeel van de bredere strijd over het aanwezig mogen zijn in de publieke ruimte, die binnen de emancipatie van vrouwen altijd belangrijk is geweest.”

Welke rol speelde de moslimachtergrond en de cultuur waaruit de speelsters afkomstig waren?

„Wij zijn binnen genderstudies heel erg getraind in het letten op de rol die macrostructuren spelen bij het veroorzaken van ongelijkheid. Er wordt momenteel dan ook enorm veel onderzoek gedaan naar moslimmeisjes en -vrouwen en de gevolgen van mogelijke discriminatie die zij ondervinden. Ik ontdekte tijdens mijn veldwerk echter dat hun moslimachtergrond voor deze meiden eigenlijk nauwelijks een rol speelde. Ze zagen zichzelf als voetballers. Dat ze soms last hadden van het feit dat ze moslim of meisje waren, vond ik meestal schrijnender dan zij zelf. Zij vonden creatieve manieren om daar mee om te gaan en grenzen te doorbreken.”

Wat is het belang van die conclusie?

„Als er iets georganiseerd wordt voor Nederlands-Marrokkaanse meiden, gaat men er vaak van uit dat zoiets dan maar het beste binnen kan gebeuren, omdat zij vast niet in de openbare ruimte mogen en willen sporten. Maar dat geldt maar voor een klein deel van de meiden. Dat zij minder vaak te zien zijn op de pleintjes, heeft er meer mee te maken dat de jongens ze er niet op laten. Wees daar dus alert op.

„Mijn conclusies hebben me ook aan het denken gezet over het vakgebied van de antropologie en genderwetenschap. De categorieën die wij als onderzoekers gebruiken zijn misschien wel helemaal niet de juiste. Waarom zou je de meiden die hier voetballen als moslim benaderen, terwijl ze ook heel veel andere dingen zijn? Krijg je geen vertekend beeld van de werkelijkheid zoals zij die beleven? Als we telkens maar onderzoek doen waarin we moslims als aparte categorie bestuderen, dan houd je daarmee in stand dat ze in Nederland als een aparte categorie worden beschouwd. Natuurlijk, de meisjes die ik onderzocht waren moslim, maar op het plein waren ze vooral voetballers die wilden winnen.”