Muur in Derry (Londonderry), Noord-Ierland, niet ver van waar journalist Lyra McKee op 18 april werd gedood. De slogan ‘IRA undefeated Army’ (IRA ongeslagen leger) is veranderd in ‘IRA are done. Defeated Army’ (IRA is uitgespeeld. Verslagen leger).

Foto Paul FAITH / AFP FILES

‘De hele buurt weet wie de journaliste heeft gedood.’ Maar niemand noemt zijn naam

Noord-Ierland Een maand geleden werd een journalist in de Noord-Ierse stad Londonderry doodgeschoten terwijl ze verslag deed van een rel. Wie is de dader en loopt de vrede in Noord-Ierland gevaar?

De paarse pailletten op haar pantoffels fonkelen in het zonlicht, maar de vrouw aan Fanad Drive vertelt een duister verhaal. Ze zag op Witte Donderdag jongeren zich op het kruispunt verzamelen in Creggan, een verlopen wijk van Londonderry/Derry, de stad waar zelfs over de naam wordt gesteggeld. Ze zag hoe de politie een inval deed, hoe molotovcocktails door de lucht zeilden. Ze zag hoe een auto op het kruispunt in de hens werd gezet. „Ik heb een zwaar autistische zoon en hij zat doodsbang binnen. Daarom hield ik het gedoe nauwlettend in de gaten.” Ze leunt op het houten hek dat haar grasveldje scheidt van de stoep. Haar kleindochter van een jaar of vier klampt zich vast aan haar been.

De vrouw hoorde schoten. Een kogel suisde vanaf het hek onderaan de straat omhoog, langs haar voortuin, langs de lantaarnpalen, langs de politie-auto’s. Het schot trof Lyra McKee, een 29-jarige Noord-Ierse journalist die amper acht minuten eerder was aangekomen om de rellen te zien. Ze stond naast een gepantserde auto van de oproerpolitie. Ze overleed. „Walgelijk”, zegt de vrouw. Zij en de twee vriendinnen die bij haar staan, zijn „echte Bogside-babes”, geboren en getogen in de wijk die tijdens The Troubles synoniem werd met het verzet van katholieken tegen protestanten, van nationalisten die een verenigd Ierland verlangden en republikeinen die geweld geoorloofd vonden om de Britse aanwezigheid op het Ierse eiland te bestrijden. Later verhuisden ze van de Bogside naar Creggan, waar de huizen groter zijn. Prima toeven hier, zegt de vrouw. Ze genoot de afgelopen jaren van de rust die de vrede bracht.

Ze kenden Lyra McKee niet, maar hebben alle drie gehuild bij de live uitgezonden uitvaartdienst. Wat ze over McKee hoorden — jongste kind van zes, uit een gebroken gezin, opgeklommen tot talentvol en tegendraadse journalist en schrijver — beviel de vrouwen. „Ik vind het mooi dat haar belangrijkste artikel ging over haar coming-out. Voor ons is dat het teken dat journalisten zich eindelijk op andere zaken konden richten dan op geweld tussen katholieken en protestanten”, zegt de vrouw met de glitterpantoffels. „Mijn zoon is gay en haar zoon ook.” Ze tikt haar vriendin op haar schouder. Zij zegt: „Jaaa! Mijn zoon heeft een Franse vriend. Zo’n knapperd. Hij komt uit Bretagne. Volgende week komen ze op bezoek. Ik kan niet wachten.” Hilariteit alom.

De woede over de moord op McKee, deze zaterdag een maand geleden, was ongekend groot. Geweld is men in Noord-Ierland gewend. Bij de burgeroorlog van 1969 tot 1998 vielen 3.500 doden. Meer dan veertigduizend mensen raakten gewond. Ook in de vredesjaren nadien zijn paramilitaire afrekeningen niet ongewoon. Maar dit keer is de maat vol, zegt men. En niet alleen omdat een journalist is gedood, gewoon op straat, gewoon in West-Europa. Men is woedend omdat een kind van de verse vredestijd is vermoord. Weer een nieuwe generatie krijgt te maken met gevoelens van verdriet, angst en misschien wraak. De ban is nog niet gebroken. In de dagen na de schietpartij verschenen afkeurende kruizen van graffiti op muurschilderingen van de IRA in Derry. ‘Niet in onze naam’, kalkte iemand eronder.

Graffiti in Londonderry naar aanleiding van de schietpartij waarbij journalist Lyra McKee omkwam: ‘Niet in onze naam’.

Foto Paul Faith / AFP

De vrouwen zijn woedend. De fucking fuckers die het gedaan hebben moet opfucken. Zag de vrouw, als bewoonster van het huis met uitzicht op de plaats delict, de schutter? Nee. Dat niet. „Hij had een bivakmuts op. Het ging allemaal ook zo snel, hè. Dat heb ik ook tegen de politie gezegd.” Creggan is geen grote buurt. Er wordt op straat flink gepraat. Weet zij wie de schutter is? „Nee. Over dat soort zaken praat je niet. Misschien kwam hij wel uit een andere wijk. Je weet het niet.”

Whatever you say, say nothing. Smoke-signals are loud-mouthed compared with us, dichtte Seamus Heaney in 1975. De inkt van het vredesakkoord mag al 21 jaar droog zijn, je nek steek je hier niet uit. De antwoorden slaan om van kristalhelder naar soft-focus. Hoe de vrouw heet, wil ze niet zeggen. Dolores of Theresa. Orla of Saoirse. „Ik heb een goeie Ierse naam. Dat vind ik belangrijk om te melden, maar ik wil geen bekendheid. Dat is niet slim in deze wijk, in deze tijden.”

Op het hek bij haar buurman is onlangs graffiti verschenen van een beruchte paramilitaire organisatie, als weinig subtiele herinnering dat er nog steeds gewelddadige types rondlopen die vrede niet velen.

De schutter voelt zich gedekt

Michael Doherty zakt weg in de bank van de brasserie van het Bishop’s Gate Hotel en lacht cynisch. „Natuurlijk weet iedereen in Creggan wie de schutter is”, zegt hij. Toen hij jong was, werkte de 72-jarige Doherty als barbier in de kapperszaak van zijn vader. Zijn familie was katholiek, maar de salon stond in een buurt waar veel protestanten woonden. Geregeld namen er politieagenten plaats in zijn stoel.

Dat was reden voor de IRA om de zaak in 1976 op te blazen, zegt Doherty. Daarna is hij vredesondehandelaar en mediator geworden. „Ik maakte altijd een praatje met mijn klanten terwijl ik ze knipte. Ik besefte dat ieder conflict twee kanten kent. Dat vind jij misschien een cliché, maar in Derry tijdens The Troubles had niemand dat door. Ik heb daar mijn werk van gemaakt.”

Als iemand af wil van een muurschildering van een paramilitaire organisatie, belt hij een bemiddelaar als Doherty. Die neemt contact op met de juiste mensen, en vraagt of het mogelijk is het verse geweld-aanbiddende spuitwerk te verplaatsen. Doherty kent de dissidenten en bendeleiders van Derry. „Ik weet dat de politie weet wie de schutter is die Lyra McKee heeft gedood. Ik weet zelf wie het is. Het is een jongen van nog geen twintig. Hij komt uit Creggan en is niet gevlucht of ondergedoken. Hij voelt zich gedekt en loopt gewoon over straat.”

Ik weet dat de politie weet wie de schutter is

Michael Doherty, mediator

Klopt als een bus, zegt Eamonn McDermott, een journalist die jarenlang onderzoek deed naar gewelddadige republikeinse bewegingen. „De schutter is zelfs opgepakt en weer vrijgelaten. Er is geen bewijs. Kleding? Verbrand. Pistool? Verdwenen”, zegt McDermott.

De zoektocht naar de waarheid is belangrijker voor McDermott dan voor de meeste journalisten. Als tiener had hij een baantje bij een benzinepomp, waar eind jaren zeventig een politieagent werd doodgeschoten. McDermott werd ervan verdacht de IRA te hebben ingelicht dat de agent langs zou komen. Na een verhoor bekende McDermott. Hij kreeg levenslang, wegens moord.

McDermott beweerde dat hij had bekend nadat agenten hem urenlang in elkaar hadden geslagen. Hij zat vijftien jaar vast. Pas een paar jaar geleden werd hij door een herzieningscommissie in het gelijk gesteld: de rechercheurs die hem ondervroegen, gebruikten geregeld geweld en het bewijs in zijn zaak rammelde. McDermott weet dat Derry een dorp is waar iedereen elkaar kent, op de hoogte is van wie met wie omgaat, elkaar constant op straat tegen het lijf loopt, maar waar als het erop aankomt toevallig niemand iets gezien heeft. „Een belastende getuigenis? Niemand in de buurt die dat in zijn hoofd haalt. Ik weet ook wie het gedaan heeft, maar die naam krijg je nooit van mij te horen.”

In een verklaring na de moord eiste de New IRA de daad op. Het was een ongeluk waar de schutter geen schuld aan had, aldus de organisatie in een verklaring zonder berouw. Als „de troepen van de kroon” geen inval hadden gedaan in Creggan, was er geen rel geweest, had McKee niet op straat gestaan, luidde de redenering.

De schietpartij is niet de eerste daad van de New IRA. In januari lieten de dissidenten op een drukke uitgaansavond een autobom afgaan voor het gerechtsgebouw van Derry. Niemand raakte gewond, omdat de daders, zoals de IRA in het verleden ook regelmatig deed, kort voor de explosie de politie waarschuwde. Een paar weken later ontvingen Britse luchthavens en stations bombrieven die volgens de autoriteiten knullig in elkaar gezet waren. Ook daar zat vermoedelijk de New IRA achter.

Jij wilt weten wat en wie de New IRA is, zegt Doherty. Ja, inderdaad. „Het zijn mannen en vrouwen die de vrede van 1998 niet accepteren.”

Zoals voor bijna alles in Noord-Ierland is een geschiedenisles nodig om de actualiteit te begrijpen. Het Goede Vrijdagakkoord, dat in 1998 een einde maakte aan The Troubles, werd gesteund door de Britse en Ierse regering, maar ook door de Noord-Ierse politiek. Sinn Féin, de dominante partij die een herenigd Ierland wil en lang de politieke vleugel van de IRA, was verdeeld. Martin McGuinness en Gerry Adams, de twee IRA-leiders die naar Sinn Féin overstapten en zich omtoverden tot politici, waren voor een akkoord en slaagden erin de republikeinse achterban te overtuigen.

Na dertig jaar moorden, aanslagen, bommen, geweld, hongerstakingen, rouw en gebroken gezinnen besloten McGuinness en Adams dat de IRA de Britten nooit met geweld van het eiland kon verdrijven. Een politiek vergelijk was het hoogst haalbare. Ierland werd niet verenigd, maar iedereen geboren in Noord-Ierland kreeg gelijke rechten en de keuze of ze Iers, Brits of beide wilde zijn. Het vredesverdrag legde ook vast dat de Noord-Ierse deelregering altijd een coalitie moest zijn van de grootste nationalistische en de grootste unionistische partij.

Bloedoffer

Sinn Féin kon het verdrag aan haar achterban verkopen omdat in zekere zin het doel bereikt was. De vreedzame burgerrechtenbeweging die in de jaren zestig voorafging aan het gewelddadige verzet, wilde precies dat bereiken: gelijkheid van protestanten en katholieken. Pas tijdens The Troubles raakte een deel van de republikeinse strijders en politici ervan overtuigd dat het doel groter moest zijn. Zij putten inspiratie uit de Paasopstand van 1916, toen een groep republikeinse revolutionairen zich verzette tegen de Britse aanwezigheid in Ierland. Ze werden gedood, opgepakt en geëxecuteerd. Doherty: „Het bloedoffer dat zij brachten is voor sommige dissidenten nog steeds leidend.”

Tijdens The Troubles scheidden meerdere groepen zich af van de IRA om hun eigen variant van gewapende strijd voort te zetten. „Dat proces ging ook na 1998 door”, zegt Doherty. „In Derry kregen we de Republican Action Against Drugs, een afsplitsing van een afsplitsing van de IRA die drugsdealers doodschoot. Het vermoeden is dat een restant van die beweging achter de New IRA zit.”

Deze nieuwste variant van de IRA is waarschijnlijk betrekkelijk klein — nog geen honderd leden — en amateuristisch, zegt journalist McDermott. „De dood van McKee is tragisch, maar de tactiek van de New IRA-leden is stuntelig. Met een pistool op een gepantserde politieauto schieten is even effectief als er softijsjes tegenaan gooien. Die agenten zitten veilig binnen.”

Muurschildering in de Noord-Ierse stad Londonderry of Derry waarop de slachtoffers van Bloody Sunday (1972) herdacht worden. Foto Paul FAITH / AFP

Ook van de andere acties is McDermott niet onder de indruk. De autobom voor het gerechtsgebouw liet Derry schrikken, maar was niet krachtig. „De bommen die de IRA indertijd liet afgaan in Noord-Ierland en Engeland legden straten in puin; nu sneuvelde geen raam. De bommenmakers van de New IRA hebben niet de kunde van vroeger of toegang tot semtex.”

De New IRA is niet in staat een aanhoudende geweldscampagne op te tuigen. „Ze kunnen hooguit om de paar maanden een kleine operatie uitvoeren”, zegt McDermott. „Dat betekent niet dat de schietpartij in Creggan een opwelling was. Het was wel degelijk voorbereid. Je kan niet aan een vuurwapen komen zonder toestemming en medewerking van leiders van de dissidenten.”

De New IRA heeft banden met Saoradh, een radicaal linkse en republikeinse politieke beweging die provocerende optochten organiseert. Tv-zender MTV volgt leden van Saoradh voor een documentaire. „Mogelijk is een rel in Creggan aangegrepen om te schieten”, zegt McDermott. „Een beetje imponeren.”

MTV schrijft in een verklaring dat een cameraploeg inderdaad Saoradh-leden volgde tijdens de rellen, maar dat er geen bewijs is dat die aanwezigheid heeft bijgedragen aan de dood van McKee. McDermott: „Je moet onderscheid maken tussen de relschoppers en de schutter. Relschoppers zijn vaak jongeren die uit zijn op een avondje adrenaline. Zij zullen niet hebben geweten dat dissidenten van plan waren te schieten.”

Voor het hoofdkantoor van Saoradh in Derry, dat meer weg heeft van een louche kroeg, hangt een groep mannen rond. Ze hebben kort haar, aan de zijkanten opgeschoren. Ze dragen trainingsbroeken en sportjacks. Journalisten mogen ze niet te woord staan, zegt een van hen. Hij noteert de naam en contactgegevens van hun persvoorlichter, die vervolgens niet reageert.

Politiek vacuüm

De steun voor de nieuwe generatie gewelddadige republikeinen is uiterst beperkt, zegt iedereen op straat. Waar je het ook vraagt, je krijgt hetzelfde antwoord: niemand wil weer geweld, wij koesteren stabiliteit, hecht niet te veel waarde aan de daden van een stel gekken.

Toch wordt nerveus gereageerd op de New IRA. Het zou niet voor het eerst zijn dat een periode van rust tijdelijk bleek. Voor het begin van The Troubles was de IRA een ingedutte organisatie, bestaand uit oude mannen die in de kroeg verhaalden over vroeger. Een deel van de wapens werd verpatst aan het obscure Free Wales Army.

De afgelopen twee jaar is in Noord-Ierland onrust ontstaan door de Brexit en door een politiek vacuüm. In 2017 klapte de coalitieregering van Sinn Féin en de Democratic Unionist Party (DUP), de streng gereformeerde partij die eist dat Noord-Ierland een onlosmakelijk deel blijft van het Verenigd Koninkrijk. Sindsdien is de Noord-Ierse politiek in schorsing en ruziën de leiders van de DUP en Sinn Féin over de voorwaarden voor een nieuwe coalitie tussen de twee kampen – die elkaar haten, maar als grootste unionistische en nationalistische partijen veroordeeld zijn tot gezamenlijk regeren.

Lees ook: Brexit kan de vrede in Noord-Ierland doen wankelen

De twist gaat over typisch Noord-Ierse onderwerpen. Sinn Féin eist een wet die de Ierse taal beschermt in Noord-Ierland. De DUP wil die wet niet. Sinn Féin wil dat Noord-Ierland het homohuwelijk erkent. De DUP, opgericht in de jaren zeventig door wijlen dominee Ian Paisley, is mordicus tegen. En er is ruzie over de afhandeling van onopgehelderde moordzaken tijdens The Troubles.

Stuurloos dobbert Noord-Ierland richting de Brexit, waar een meerderheid van de bevolking tegen stemde in 2016. Echte onderhandelingen tussen DUP-leider Arlene Foster en Mary Lou McDonald, haar evenknie bij Sinn Féin vinden nauwelijks plaats. De Britse premier Theresa May en haar Ierse ambtgenoot Leo Varadkar kissebissen meer over de Brexit dan dat ze samen hun rol als voogd voor de Noord-Ierse politiek uitoefenen.

Ontmoetingen tussen de vier leiders waren er nauwelijks, tot de uitvaart van Lyra McKee. Op de voorste rijen van de kathedraal van Belfast hoorden ze alle vier toe hoe de pastoor van de parochie van McKee hen prees. Eindelijk kwamen ze samen. Wel had hij een vraag. „Waarom in godsnaam moet een 29-jarige vrouw, die haar hele leven voor zich heeft, sterven voor dat is bereikt?” Een daverend applaus rolde door de kathedraal, versterkt door de menigte buiten.

Foster en McDonald, May en Varadkar keken nors en klapten pas mee toen ze door kregen hoezeer zij in hun hemd gezet en terechtgewezen werden. Een paar dagen later kondigden Varadkar en May aan dat ze nieuwe onderhandelingen willen: de dood van McKee moet aangegrepen worden om de Noord-Ierse deelregering te hervatten. Doorbraken blijven vooralsnog uit.

Op eigen houtje komen de Noord-Ierse partijen er nooit uit, zegt Doherty. „Dat lukt alleen als het Britse parlement in Londen, met goedkeuring van de Ierse politiek, de meest beladen onderwerpen, zoals de Ierse taalwet en het homohuwelijk, regelt en zo uit handen van Sinn Féin en de DUP neemt”, aldus de mediator. „Het probleem is dat de regering-May gedoogsteun krijgt van de DUP. Daardoor duurt de impasse voort.”

Het gebrek aan politiek leiderschap maakt dat dissidenten meer ruimte krijgen om mensen op te zwepen. „Er zijn delen van Derry waar werkloosheid hoog is, waar men de economische voordelen van vrede niet voelt. Zeker als de Brexit betekent dat er weer een grens komt en mensen zich geïsoleerd voelen van vrienden en familie in Ierland, kunnen zij vatbaarder worden voor de retoriek van de New IRA en Saoradh”, zegt journalist McDermott.

Als er weer douaneposten komen, worden dat doelwitten voor gewelddadige republikeinen, zegt Doherty. „Dat het nu niet escaleert, komt doordat de politie zich niet laat provoceren.” Neem de moord op McKee, zegt hij. Vroeger zou het leger hebben huisgehouden in de buurt. Dat leidde tot een geweldsspiraal en groeiende steun voor dissidenten onder de bevolking. „Als na de Brexit een douanier wordt doodgeschoten, zal het moeilijker zijn voor de politie geen vergeldingsacties uit te voeren.”

Noord-Ierland verandert

Mannen als Doherty en McDermott kunnen de Noord-Ierse politiek nooit los zien van de allesbepalende kloof tussen nationalisten en unionisten, tussen protestanten en katholieken. De kloof bepaalde hun levensloop, hun loopbaan. Zij zien de oplossing voor de huidige spanningen in een nieuw akkoord tussen de geijkte partijen. Ze zien niet wat Lyra McKee zag: dat Noord-Ierland verandert, dat het voor steeds meer bewoners niet langer uitmaakt of je Derry of Londonderry zegt, of je de Britse BBC of de Ierse RTÉ kijkt, of je de letter H op een katholieke („haitch”) of protestantse („aitch”) wijze uitspreekt.

Uit de jaarlijkse Northern Ireland Life and Times Survey blijkt dat meer dan de helft van de Noord-Ieren jonger dan 35 zichzelf niet identificeert als unionist of nationalist. „Een meerderheid van de vredesgeneratie wil de identiteitspolitiek van het verleden achter zich laten en samen verder. McKee is daar een symbool van geworden”, zegt Katy Hayward, een socioloog verbonden aan de Queen’s University in Belfast. Bij de gemeenteraadsverkiezingen begin mei werd Alison Bennington gekozen als eerste homoseksuele raadslid namens de DUP.

Een waarschuwingsbord voor de IRA in Londonderry.

Foto Paul Faith / AFP

Toch is het niet makkelijk de structuur van de Noord-Ierse samenleving te veranderen. Met de eis dat de unionistische en nationalistische partijen samen regeren, verankert het Goede Vrijdagakkoord de kloof. Stemmen op een middenpartij is nauwelijks aantrekkelijk – daarmee gooi je je stem weg, vinden veel Noord-Ieren. „Wat het akkoord verzuimde te regelen is een rol voor een gematigde centrumpartij”, concludeert Hayward.

Michael Doherty schudt zijn hoofd. Al is het een verademing dat Noord-Ierland progressiever, toleranter en minder religieus is, „dat betekent niet dat het conflict verdwijnt, dat de kloof gedicht wordt. De komende decennia zal alles langs die lijnen lopen. Zolang dat zo is, zal er geweld zijn. Lyra McKee zal niet de laatste dode zijn.”

Collega’s van McKee noemen het opvallend dat zij besloot naast een politieauto te staan. Tijdens The Troubles wist elke journalist dat de politie een doelwit was, daar wilde je zo ver mogelijk bij vandaan blijven. De beste plek om een rel gade te slaan was ergens aan de zijkant, waar je niet geraakt werd door de stenen van relschoppers en niet door het traangas van politie en leger. Die basisles had McKee, werkzaam in rustigere tijden, nooit hoeven leren.

In haar geboortestad Belfast is een muurschildering verschenen met een portret van McKee, een eer die vroeger alleen helden van de strijd te beurt viel. Er staat een zin bij die McKee ooit schreef over haar worsteling met jong en lesbisch zijn. „It won’t always be like this. It’s going to get better.” Net als het gezamenlijk zwijgen, is Noord-Ierland het gezamenlijk rouwen niet verleerd.