Op zoek naar niet-bestaande vogels: kijk, de kuifpink!

Vogelgids O.C. Hooymeijer tekent en beschrijft niet-bestaande vogels die hadden kunnen bestaan. „Bij verwondering begint mijn werkelijkheid.”

Hooymeijer in zijn atelier.
Hooymeijer in zijn atelier. Foto Sake Elzinga

Het atelier biedt uitzicht op uitgestrekte rietvelden en moerassen. Dit is het veengebied van Weststellingwerf bij Spanga, Friesland. Het oogt vooral leeg. In het atelier van O.C. Hooymeijer (61) lijkt het of er een beeldenstorm heeft gewoed: overal schilderijen, kunstboeken, opgezette vogels, paletmessen, lege doeken, volgeschilderde doeken, vogelschilderijen, kwasten, vogelbeeldjes uit China, vitrinekasten met rariteiten. Het contrast tussen binnen en buiten kan niet groter zijn.

Hier werkt Hooymeijer aan een even grillig als fantasierijk oeuvre met schilderijenreeksen als Jazz Portraits, Red Light District, Historische Gebeurtenissen en The Great Exotic Birdshow. Tussen alle duizeligmakende overdaad staat ergens op de muur in keurige, zwarte letters zijn artistieke credo: „Het is niet waar, maar het had waar kunnen zijn.” Dat is tevens het motto van zijn pas verschenen De Nieuwe Gids voor de niet-bestaande Vogels van Europa. De Tweekant, Zeegier, Ketelaar, Zwartkopzeeduif, Bosliever en Duitse Reiger hadden evengoed wél kunnen bestaan. Waarom Kneu, Snor, Hop, Scharrelaar en Griel wel, en deze niet?

Foto Sake Elzinga

Ook historische gebeurtenissen zet Hooymeijer naar zijn hand. Hij wijst op een overwegend felrood met blauw geschilderd portret van Peter Stuyvesant, een van de vroegste koloniale bestuurders in Amerika. In deze hoek van Friesland steggelt men er nog steeds over of hij nu uit Peperga of Scherpenzeel komt. Hooymeijer: „Voor dit schilderij liet ik me inspireren door het portret dat Ferdinand Bol maakte van Michiel de Ruyter. Ik gebruik dezelfde motieven, ook in de vergulde lijst, van kompas, wapens, de Nederlandse vlag, banieren. Maar ik voeg er nieuwe elementen aan toe, zoals de vlag van Weststellingwerf. Suyvesant is Michiel de Ruyter niet. Maar door mijn ingrepen toch weer wel. Mijn kunst kan niet zonder de herkenbare werkelijkheid: dat is de basis van alles wat ik maak. De realiteit is vaak al zo krankzinnig, dat hoef je niet eens te verzinnen.”

Chauffeur, kunstenaar of kapitein

Hooymeijer werd geboren in Vlaardingen en volgde de Academie voor Beeldende Kunsten in Rotterdam. Met zijn moeder bezocht hij musea, zijn vader was industrieel. Zolang hij zich herinnert tekende en knutselde hij, zoals scheepjes in een fles. In het repareren van oude fietsen en motoren was hij bedreven. Zelf reed hij op een BMW R27, die hij als wrak had gevonden. Hij was schipper op de bruine vloot en wilde vrachtwagenchauffeur worden, kunstenaar of kapitein op de grote vaart. Vrije beroepen.

Hooymeijer: „Ik kende chauffeurs uit het havenbedrijf die in colonne naar Perzië reden, het geladen pistool op het dashboard. Die romantiek zocht ik ook.” Op de academie kreeg hij les van Anton Martineau, een kunstenaar als Karel Appel die tijdens een atelierbezoek voordeed hoe zijn leerling moest schilderen. Hooymeijer: „Verftubes zijn duur, ik schilderde zuinig. Maar daar kwam Martineau die de tubes leegspoot op het doek, paletmes en kwasten pakte en in wilde gebaren aan het werk ging. Ongetwijfeld had hij zich laten inspireren door de film die Jan Vrijman maakte, De werkelijkheid van Karel Appel. Ook voor mij was dat een openbaring en ik schilderde in dezelfde lyrisch-abstracte stijl, net als Willem de Kooning en Ger Lataster.”

Amsterdam trok aan Rotterdammer Hooymeijer en in de jaren tachtig kwam hij als keukenhulp terecht in café Bern aan de Nieuwmarkt, ooit een onstuimig café waar weleens schoten vielen. Daar ontmoette hij Edward Kienholz en zijn vrouw Nancy, befaamd vanwege The Beanery en tal van andere beeldende installaties. Die ontmoeting heeft hem beïnvloed. Voordat hij het wist werd hij Kienholz’ assistent. Kienholz wilde enkele hoerenkamertjes nabouwen. Hooymeijer gaf de dames geld en vroeg ze of ze even uit hun kamertje wilden gaan: „Terwijl ik even met hen praatte, nam Kienholz foto’s. Ik raakte in die tijd geboeid door het contrast op de Wallen tussen de vrouwen die zich in het helle licht tentoonstellen en de zwijgende, anonieme mannen die in het halfduister langs de ramen schuifelen. Ik maakte de reeks Red Light District met bijna rembrandtesk contrast tussen licht en donker. Ook bij Kienholz zie je dat zijn installaties geïnspireerd zijn door de werkelijkheid, waaraan hij een draai geeft, de werkelijkheid een kwartslag keert. Dan ontstaat een nieuwe, bijna surrealistische wereld.”

Licht absurde stijl

Nadat Hooymeijer met zijn gezin zo’n twintig jaar geleden in Friesland kwam wonen, weg uit de drukte van Amsterdam, vond hij zijn eigen stijl: die van het licht absurde. Hooymeijer: „Dat kwam zo: ik kocht nog steeds mijn verf in Amsterdam. Ik gaf mijn adres in Nijetrijne op, daar woonden we eerst. De man geloofde me niet. Waar ligt dat? Nijetrijne ligt bij Oldeholtpade, Munnekezeel, Gracht, Oldelamer, Nijeholtpade en Sonnega. Ik woonde voor Amsterdammers in een exotisch oord waar mensen beroepen uitoefenen als zoetwatervisserman, rietsnijder, wormenkweker, ratten- en mollenvanger. Ik ben toen portretten gaan maken van de mensen hier, de Stellingwervers, en verzon een reeks historische gebeurtenissen, zoals De Opstand der Veenarbeiders van Munnekeburen of De Ondertekening van het Verdrag van Coevorden. Hoe ik bij die vertekening van de geschiedenis kwam? Heel eenvoudig: je staat in het museum van bijvoorbeeld Schokland oog in oog met een roestige spijker met als bijschrift ‘Bodemvondst 65 miljoen jaar oud’. Wie zegt dat dat waar is? Hoe oud is dat dan? Bestonden er al spijkers 65 miljoen jaar geleden? Bestond Schokland al? Nee, natuurlijk niet! Bij verwondering begint mijn werkelijkheid.”

Een vogelhut om niet-bestaande vogels te kijken. Foto Sake Elzinga

Dat Hooymeijer met zijn gevoeligheid voor het absurde bij vogels is uitgekomen, is zo gek niet. Op zijn werktafel ligt de kapotgelezen Gids voor de vogels van Europa (1976) van de hand van B. Bruun, onder vogelaars bekend als ‘de Bruun’. De telegramstijl van die ernstige gidsen heeft hem altijd verbaasd. Hij slaat de Bruun open en leest voor, met opgewonden stemverheffing: „Woerd lijkt op een afstand grijsachtig, doch men zie de karakteristieke roodbruine, zwart-en-witte spiegel van beide geslachten, alsook de witte buik, van het wijfje, waaraan het zich onderscheidt van de Pijlstaart en de Wilde Eend. Duikt graag.” Raadselachtige taal voor wie niet weet dat dit de Krakeend betreft, een bestaande soort. Hooymeijers beschrijving van de niet-bestaande soorten zijn een uitbundige pastiche op de bestaande, zoals de Napolitaan: „Vroeger algemeen. Door jarenlang uit de natuur wegvangen nu vrij zeldzaam. Mannetje donkerrode kap. Zie spitse, iets naar beneden gerichte snavel.” Klinkt allemaal geloofwaardig. Maar dan gaandeweg komt de auteur op dreef: „Was tot aan de zeventiger jaren van de twintigste eeuw zeer populair en vooral statussymbool van de Amsterdamse Jordaan, waar de Napolitaan de bijnaam ‘Ariaatje’ had. Beroemd was ‘Leentje’, de vogel van ‘ome Ben van de Leliestraat’, wiens Napolitaan het duet uit Bizets Parelvissers feilloos kon meefluiten.”

Foto’s Sake Elzinga

De vogelafbeeldingen, in oliepastel of inkttekening, sieren groot en kleurrijk de muren en zijn opgenomen in de gids. De dieren zijn karaktervol, met expressieve uitstraling. Het kost nauwelijks moeite ze als echt te beschouwen. Soms meen ik de Fuut te zien of Kluut, maar het zijn de Blindkuif en Kleine Laars.

Evenals officiële gidsen geeft zijn gids met niet-bestaande vogels gids beschrijvingen van de biotopen, zoals Volle zee waar de Schonk, Zeebrons en Zeedrijver verblijven, Ruige rotskust als leefgebied van de Sneeuwkraak en Rotsliever en Steden en dorpen voor Kuifpink, Ketelaar en Engelse Jan. De biotoop Nachtlandschappen is bestemd voor de Nachtvrees, Schotse Nachtduif, Schemeraar en Grote Nachtjager.

Een nu nog bestaande vogel…

De grens tussen bestaande en niet-bestaande vogels is minder rigide dan menigeen denkt. Bestaande vogels kunnen zomaar niet-bestaande vogels worden. Wereldwijd verdwijnen steeds meer soorten, zo’n 14 procent wordt met uitsterven bedreigd. Met het Monument ter nagedachtenis aan de Veldleeuwerik eert hij een eens veel voorkomende weidevogel die hoog in de lucht zijn stralende baltslied zong. Nu is hij bijna uitgestorven in ons land. Het eerbetoon bestaat uit een sokkel waarop een dertig meter hoge, spitse naald prijkt. Aan het uiteinde daarvan is een draad bevestigd waaraan een levensecht model van de leeuwerik hangt, dat kan meebewegen op de wind. Een luidsprekertje in de vogel laat zijn lied klinken. Hooymeijer is in overleg met Vogelbescherming Nederland. Hij kan zich voorstellen dat het monument in een stil, leeg weiland komt te staan. „De belangstellende kan dankzij dit monument ervaren hoe de leeuwerik vroeger hoog aan het zwerk zijn zang liet horen”, licht hij toe.

Op de zijkant van het monument staat een inscriptie met bedreigde vogelsoorten. Hooymeijer: „Elk jaar zal de vogel in het najaar van zijn naald worden genomen en overwinteren, bijvoorbeeld in het stadhuis of het museum van de gemeente waar het monument staat, om op 25 maart weer in volle glorie te verschijnen. Deze dag roepen we uit tot de ‘Wereldbedreigdedierendag’. Vogelaars leggen een krans bij het monument.”

Met dit kunstwerk benadrukt Hooymeijer zijn bezorgdheid om de teloorgang van de natuur: „Straks zie je geen leeuwerik meer, kennen kinderen de vogel niet en raakt het woord weg uit onze taal. Alle verdwenen vogels zullen uiteindelijk niet-bestaande vogels worden. Dat is de ernstige ondertoon van mijn Europese vogelgids met vijftig pas ontdekte soorten. Op mijn verre veldreizen, van Siberië tot Marokko, heb ik ze allemaal gezien.”

O.C. Hooymeijer: De nieuwe Gids voor de niet-bestaande Vogels van Europa. Uitg. Noordboek, 238 blz. Prijs € 17,50. T/m 15 juni is een tentoonstelling van Hooymeijers werk (‘Een vrije geest ziet meer vogels’) te zien in Café Bern, Nieuwmarkt, Amsterdam. Inl: cafebern.com; ochooymeijer.com

Kuifpink (Prihngilla rudos)

„Talrijk. Allesetende, sterk aan de mens gebonden zanger. Echte stadsbewoner. Nestelt in tuinen en parken, maar bouwt nest ook wel in gaten of op richels van in verval geraakte leegstaande panden.

Foerageert vaak op pleinen en straten waarbij brutaal gedrag opvallend is. Kan in de buitenlucht lunchende kantoormedewerkers, bankemployees, maar ook fabrieksarbeiders lastigvallen met bedelgedrag.

In herfst regelmatige gast in boomgaarden op het platteland, vaak samen met Kleine en Grote Gele Fruitpikker. Verenkleed kleurig. Zie rode en gele accenten en forse warrige kuif. Snavel licht gebogen. Donkere oogstreep geeft de vogel een wat ‘strenge’ uitstraling.

Balts, een onregelmatige draaiende vlucht, liefst vanaf een molshoop, maar ook een steen of vuilniszak voldoet.

Roep, een helder kraaien, afgewisseld met schorre ‘kchu, kchug’ klanken. Zang, meest vanaf hoge post, een aaneengesloten melodie van zeer gevarieerde fluittonen, met altijd een triool als afsluiter.”

Tekst en illustratie uit ‘De nieuwe gids voor de niet- bestaande Vogels van Europa’ van O.C. Hooymeijer