Vertellen kon André Bolhuis beter dan luisteren

Profiel | André Bolhuis, vertrekkend voorzitter NOC*NSF André Bolhuis vertrekt maandag na negen jaar als voorzitter van NOC*NSF. Over zijn erfenis bij de sportkoepel zijn de meningen verdeeld.

DEN HAAG - NOC*NSF voorzitter Andre Bolhuis tijdens de huldiging van de medaillewinnaars van de Olympische Zomerspelen 2016 in de Ridderzaal. ANP KOEN VAN WEEL
DEN HAAG - NOC*NSF voorzitter Andre Bolhuis tijdens de huldiging van de medaillewinnaars van de Olympische Zomerspelen 2016 in de Ridderzaal. ANP KOEN VAN WEEL Koen van Weel

De voortreffelijke chef de mission van de olympische ploeg in 1992 en 1996 kon later die lijn niet voortzetten als voorzitter van sportkoepel NOC*NSF. Zijn sporthart bleef groter dan zijn bestuurlijke hart. Met zijn afscheid als voorzitter beëindigt André Bolhuis maandag zestig jaar dienstbaarheid aan de sport. Zijn erfenis? Daarover wordt divers gedacht.

Critici noemen hem een voorzitter zonder visie, adepten zien dat niet als een omissie. Waar de één het als zijn zwakte ziet dat hij geen vergezichten schilderde over de toekomst van de Nederlandse sport waardeerden anderen zijn stijl van besturen, die er kort samengevat op neerkwam dat Bolhuis vanuit een intrinsieke liefde voor sport stevig op de winkel paste. „Hij heeft onwaarschijnlijk veel tijd aan sport besteed”, zegt zijn elf jaar jongere broer Peter Bolhuis. Om er respectvol aan toe te voegen: „En altijd om niet”.

Bolhuis gunt sporters hun deel van de voortschrijdende verzakelijking van de sport, maar het moest niet de spuigaten uitlopen. Vraagt ex-zwemmer Pieter van den Hoogenband twee keer de Balkenendenorm voor zijn rol als chef de mission bij de komende Olympische Spelen van Tokio, dan komt elke vezel van Bolhuis in opstand. Is-ie helemaal gek geworden? Hij werkt voor NOC*NSF, niet voor zichzelf. Bovendien heeft Bolhuis die functie voorheen twee keer zelf voor een onkostenvergoeding vervuld; dan steekt zo’n looneis. Van den Hoogenband moest zich uiteindelijk schikken naar een jaarsalaris van bijna een ton, een beloning waar Bolhuis tenslotte grommend mee instemde.

Hockey bepaalde zijn leven

Zijn striktheid komt voort uit een gereformeerde opvoeding in Soest waar vader en moeder Bolhuis in een harmonieus middenstandsgezin van vier (drie zonen, één dochter) de kerk boven de sport stelden. „Daarin was met name mijn vader principieel”, zegt Peter Bolhuis. „Als het jeugdteam van MHC Soest waarin mijn oudste broer Fred en André speelden onder kerktijd in actie moest komen, werd die wedstrijd verzet. Dan gingen de sporttassen achterin de auto en scheurde mijn vader na de kerkgang razendsnel naar het hockeyveld. Zo was hij ook wel weer.”

Hockey, hockey en nog eens hockey, dat bepaalde, naast zijn werk als tandarts, het leven van Bolhuis. Van speler bij de Utrechtse topclub Kampong, aanvoerder van het Nederlands team en een korte periode in de technische staf van Jong Oranje en het Nederlands team, werd hij in 1996 vicevoorzitter van de hockeybond om twee jaar later te promoveren tot voorzitter. De KNHB was zijn opstap naar NOC*NSF, waar Bolhuis op 11 januari 2010 als voorzitter aantrad, nadat hij drie jaar bestuurslid was geweest.

André Bolhuis (links) in 1979 als hockeyer van Kampong. Foto Soenar Chamid

Geen bevordering tot ieders genoegdoening, maar wel na sterk aandringen van de sollicitatiecommissie, die in hem de meest geschikte voorzitter zag om Erica Terpstra op te volgen. „We hadden diverse kandidaten, maar de één was ongeschikt en de ander paste minder goed”, zegt Erik van Heijningen, erevoorzitter van de zwembond KNZB en destijds commissielid. „Bij André hadden we geen twijfels. Maar hij aarzelde, waardoor we hem flink onder druk hebben moeten zetten, zo van: ‘André, doe het nou’. Terugblikkend vind ik dat hij het goed gedaan heeft. De top-10-ambitie is zo goed als gerealiseerd en sport is sterk verankerd in de samenleving.”

Bolhuis’ bestuursstijl was vooral gestoeld op loyaliteit. Hij verzamelde mensen om zich heen die hij kon vertrouwen en met wie hij het gezellig had. Zo paaide hij ook voorzitters van de bij NOC*NSF aangesloten sportbonden. Die nodigde hij op gezette tijden uit voor een etentje. Hij werd gezien als een slimme strateeg, maar altijd energiek en met hart voor de sport. Bolhuis trok intensief het land in om sporten te bezoeken, volleybal, kaatsen of klootschieten, het maakte hem niet uit. Maar o wee, als je hem tegen de haren instreek, dan werd-ie vervelend. „Dan kon hij schepen achter zich verbranden”, zoals broer Peter het uitdrukt.

Lees ook: André Bolhuis kan zomaar ontploffen, maar is geliefd om zijn sporthart

Zo goed hij zijn binnenlandse netwerk op orde had, zo zwak stonden internationale antennes van Bolhuis afgesteld. Dat begon al als hockeyer, toen hij in 1972 in de Palestijnse aanslag op de Israëlische ploeg geen reden zag de Olympische Spelen van München te verlaten. De hockeyer wilde zich geen evenement laten afnemen waar hij jaren naartoe had gewerkt. Later heeft Bolhuis laten doorschemeren daar wroeging van te hebben. Destijds gingen van de hockeyploeg alleen de reservespelers Paul Litjens en Flip van Lidth de Jeude vervroegd naar huis.

Acht jaar later volgde de hockeyploeg, op aandringen van aanvoerder Bolhuis, de oproep van de Amerikaanse regering tot een boycot van de Spelen in Moskou vanwege de inval van Sovjettroepen in Afghanistan. Officieel niet uit politieke overwegingen, maar omdat het hockeytoernooi door de boycot zwaar gedevalueerd was. Naderhand heeft Bolhuis openlijk spijt betuigd. Tegen de NOS zei hij: „Wat is onze bijdrage geweest, heeft Afghanistan er iets aan gehad? Ik betwijfel het. Wel heeft een aantal spelers nadeel van die boycot gehad, zij hebben nooit meer een olympisch toernooi gespeeld”.

Ronduit overschat heeft Bolhuis zijn kansen om lid van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) en later vicevoorzitter van de Europese Olympische Comités (EOC) te worden. Eerst mislukte het opzetje met Els van Breda Vriesman om via de internationale hockeyfederatie (FIH) IOC-lid te worden. Bolhuis bleek volstrekt kansloos bij een bestuursverkiezing, kon Van Breda Vriesman derhalve als FIH-voorzitter niet opvolgen en verkeken was de kans om via die positie het IOC binnen te dringen.

André Bolhuis (tweede van rechts) tijdens de Olympische Winterspelen van 2018, naast Koning Willem-Alexander. Foto Vincent Jannink/ANP

Na het vertrek van prins Willem-Alexander als IOC-lid presenteerde Bolhuis zich opnieuw als kandidaat, maar hij doorzag niet dat de huidige koning en het invloedrijke IOC-erelid Hein Verbruggen een kongsi hadden gesmeed om niet hem maar de toenmalige KLM-topman Camiel Eurlings het IOC binnen te loodsen. Enige jaren later liet Bolhuis zich verleiden tot een kandidatuur als vicevoorzitter van de EOC, naderhand beseffend dat hij vrijwel kansloos was tegen de wens-kandidaat van het bestuur, de Deen Niels Nygaard.

Ronduit geblunderd heeft Bolhuis bij de kandidatuur van de Jeugd Olympische Spelen voor 2018 van Rotterdam en die van Nederland voor de Europese Spelen in 2019. In Rotterdam stond hij tegenover een woedend stadsbestuur, nadat Bolhuis op gezag van zijn bestuur de toegezegde bijdrage van 20 miljoen had moeten intrekken. Onverantwoord vonden zij, in een tijd met dusdanig tegenvallende inkomsten dat NOC*NSF een beroep op de reserves moest doen.

Bij de kandidaatstelling voor de Europese Spelen had Bolhuis zich voor het karretje laten spannen van de toenmalige EOC-voorzitter Patrick Hickey, tevens Iers IOC-lid en later gearresteerd wegens fraude met olympische tickets voor de Spelen van Rio de Janeiro. Die zocht een kandidaat in West-Europa en schonk Nederland de Spelen zonder bidprocedure, waarna Bolhuis zonder een goed plan en een gedegen financiële onderbouwing bij het ministerie van VWS, de provincies Noord-Brabant en Gelderland en de vier grote steden aanklopte. Die zagen uiteindelijk niks in die onbekende Spelen, waarna de toenmalige minister van Sport, Edith Schippers, de stekker eruit trok.

Anneke van Zanen is de opvolger van André Bolhuis. Wat staat haar te wachten als nieuwe voorzitter van NOC*NSF?

Finest hours als chef de mission

„Bolhuis liep te ver voor de groepen uit”, zegt Van Heijningen. „Ik heb wel eens tegen hem gezegd: ‘André, doe eens rustig aan en luister eens’. Maar dat was moeilijk.” Adriaan Visser, destijds sportwethouder in Rotterdam: „Veel is misgegaan, om niet te zeggen alles”. In een uitermate kritisch onderzoeksrapport over die kandidatuur krijgt Bolhuis er flink van langs. Hij zou solistisch te werk zijn gegaan en werd als een ‘goede verteller’ maar ‘matige luisteraar’ weggezet. Het gevolg: een verslechterde relatie met het ministerie van VWS en voor Schippers aanleiding tot de instelling van de Nederlandse Sportraad als nieuw adviesorgaan voor sportzaken, wat als een diskwalificatie van NOC*NSF mag worden uitgelegd.

Zijn finest hours beleefde Bolhuis in de jaren negentig toen hij een alom gewaardeerde chef de mission was bij zowel de Olympische Spelen van Barcelona in 1992 als Atlanta in 1996. Te midden van sporters, daar voelde hij zich thuis, dat was zijn biotoop. In die rol geldt hij als de grondlegger van het huidige technische beleid van NOC*NSF om fondsen te werven en sporters op weg naar de Spelen uitgebreid te faciliteren. Bolhuis vond dat de sportkoepel meer moest zijn dan een olympisch reisbureau. Jan Loorbach, indertijd bestuurslid met de portefeuille Topsport: „Als het om topsport gaat, hebben in de jaren negentig drie visionairs het verschil gemaakt: ex-voorzitter Wouter Huibregtsen, voormalig technisch directeur Joop Alberda en de toenmalige chef de mission André Bolhuis.”

Correctie (17 mei 2019): in een eerdere versie stond dat de boycot van de Spelen van Moskou vier jaar na München 1972 was. Bedoeld werd acht jaar, dit is aangepast.