‘Nu pas wordt ontdekt dat de aardkorst het grootste terra incognita is’

Robert Macfarlane De Britse natuurschrijver Macfarlane zakte voor zijn nieuwe boek af naar de wereld onder onze voeten, spittend door schimmelrijken en zich wurmend door steenlagen. ‘De natuur is een bron van troost.’

'Dat is de andere kant van natuur: ze is niet alleen in de verdrukking, maar ook een ongelofelijke bron van plezier, troost, verlichting.'
'Dat is de andere kant van natuur: ze is niet alleen in de verdrukking, maar ook een ongelofelijke bron van plezier, troost, verlichting.' Foto: Roger Cremers

Het is vijftien mei en Robert Macfarlane ziet boven de grachten van Amsterdam de eerste gierzwaluwen van het jaar. Hij declameert Ted Hughes: ‘Ze hebben het weer gehaald / Wat betekent dat de aarde het nog doet, de / Schepping nog fris ontwaakt, de zomer / Nog helemaal moet komen.’ Het gedicht begint met de regels: ‘Vijftien mei. Kersenbloesem. De gierzwaluwen/ materialiseren op het puntje van een lange krijs.’ De gierzwaluw is van het punctuele soort.

De vogeltrek en de pijlsnelle duikvluchten van de apus apus staan qua tempo in behoorlijk contrast met Macfarlanes nieuwe boek, Benedenwereld. Reizen in diepe tijd. Daarin onderzoekt Macfarlane alles wat zich onder de grond afspeelt, aan het menselijk oog onttrokken, en de sporen van tienduizenden jaren geschiedenis die de aarde in zich meedraagt. De dynamiek zit ’m daar in bulderende ondergrondse rivieren, watervallen in smeltende gletsjers, kalksteen dat een paar centimeter meebeweegt met de getijden van de maan, en woekerende schimmels in bosgrond.

„De wetenschap ontdekt nu dat de aardkorst het grootste terra incognita is. En omdat het zo’n schaduwrijke, raadselachtige plek is hebben we er altijd verhalen bij bedacht”, zegt Macfarlane. Al in het oudste verhaal ter wereld, het Gilgamesj-epos, daalt Enki, dienaar van koning Gilgamesj, af naar de onderwereld. Als Enki weer bovenkomt vraagt Gilgamesj: ‘Heb je mijn doodgeboren kindertjes gezien, die nooit het leven hebben gekend?’ ‘Ik heb ze gezien’, antwoordt Enki. In de Griekse mythologie krijgen de ondergrondse rivieren, die zich een weg door het kalksteen banen, betekenis als de rivier Styx, die de levenden van de doden scheidt, en als de rivier Lethe, waarin de doden moeten baden om hun leven op aarde te vergeten.

Macfarlane: „Het is de relatie tussen materie en metafoor die me fascineert. De benedenwereld houdt haar geheimen goed bewaard, maar daarom brengen we er ook onze schatten, onze doden, onze geheimen in onder. De vroegste handafdrukken die we in grotten hebben gevonden zijn die van Neanderthalers. We dalen af op zoek naar betekenis. Maar de benedenwereld is ook een plek die nietsontziend stoffelijk is. Zeker voor hen die erin werken, of erin gevangen zitten.”

In Benedenwereld beschrijft Macfarlane hoe hij zich door de kleinste openingen in grotten en mijnschachten wurmt, zijn wangen plat op het steen: ‘het gesteente dat me omsluit, het gesteente dat me als een doodskist de maat neemt’, en hoe hij kampeert in de poolwind op de Lofoten, een Noorse eilandengroep, om drieduizend jaar oude grotschilderingen te bekijken. In Amsterdam oogt hij weinig gehavend. Hij zou zo doorkunnen voor studeerkamergeleerde, maar hij doceert dan ook nog Engelse literatuur in Cambridge.

„In de twintigste eeuw speelde de natuur een geringe rol in proza”, zegt Macfarlane. „We hadden wel dichters als Ted Hughes, en Seamus Heaney – wat mij betreft een van de belangrijkste dichters over natuur, over gecompliceerde, politieke, Noord-Ierse natuur. De afgelopen tien, twintig jaar speelt de natuur onvermijdelijk weer een rol. Ze dringt zich op. Maar eigenlijk vind ik ‘natuur-schrijver’ een tautologie, want de natuur is… radioactief afval, ijs, smeltend ijs, gierzwaluwen, mensen, liefde, alles.”

Foto: Roger Cremers

Schrijvers als Bruno Latour vinden dat we te objectiverend over natuur hebben gedacht en gesproken. Probeert u dat te veranderen?

„Natuur is niet een statisch decor van ons handelen, dat we naar believen kunnen vormen en exploiteren. We zijn erin verstrikt, we zijn er deel van. Zelf dragen we hele soortenkoloniën met ons mee. Het objectiverende denken over natuur heeft ons gebracht waar we nu zijn, en nu beginnen we te begrijpen dat de natuur als hulpbron eindig is. Dat denken heeft ons verarmd in ziel en stad achtergelaten.”

Het objectiverende zit ook in onze grammatica, zoals u schrijft.

„Ja, ‘nature’ is ‘it’ in het Engels. Zo wordt ze op afstand gehouden, alsof ze niet meer is dan een soort park ter ontspanning. En we spreken over ‘het milieu’, alsof we er zelf niet bij horen. Ik zou altijd spreken van de ‘levende wereld’ of de ‘natuurlijke wereld’.”

Hoe verklaart u dat er inheemse volken zijn die een veel meer bezielde taal hebben, waarin ook bergen, keien, wind en vuur als levend worden gezien, en wij zoveel zakelijker spreken?

„We zijn nu eenmaal al heel lang afhankelijk van onze vermogens de natuur te bewerken, en we moesten haar wel als hulpbron zien. Grammatica is de onderstroom van onze taal. Het is waar cultuur neerslaat in de structuur van de taal, waar veronderstellingen bezinken en vaste vorm krijgen.

„Het lijkt alsof die vaste vormen nu allemaal tegelijk loslaten. Ik heb lang over dit boek gedaan. Nu voelt het alsof het voltooien ervan samenvalt met een soort ineenstorting van diepe tijd. Dingen die eeuwenlang lagen opgeslagen in de aarde komen ineens boven: methaan borrelt op uit de smeltende permafrost, net als kadavers van rendieren die zeventig jaar geleden omkwamen door antrax. Gletsjers smelten, het water stort in zee. Uit het ijs komen lijken tevoorschijn, en ijslagen die iets vertellen over de luchtkwaliteit tijdens de laatste ijstijd, of hoeveel de zon 50.000 jaar geleden scheen. De mens, de soort, liet in grotten tekens achter die later gelezen zouden worden door verre nazaten. We laten altijd sporen na. En nu, in het antropoceen, laten we meer sporen na dan ooit tevoren.”

Lees ook: Door deze roman ga je anders naar de natuur kijken

Wetenschappers schrijven over het ‘Wood Wide Web’ [ondergrondse schimmels waarmee bomen voedingsstoffen uitwisselen] alsof bomen ofwel socialistisch zijn en voor elkaar zorgen, of met elkaar handelen alsof er een soort vrije markt is.

„Ja, het lijkt wel economie in plaats van mycologie.”

Die taal en de metaforen lijken nogal tekort te schieten.

„Het rijk van de schimmels is zo vreemd. Het tart al onze ideeën over erfelijkheid, individualiteit. Het is een heel rijk, één centimeter onder onze voetzolen, maar we hebben er tot een paar decennia geleden in totale onwetendheid over heen gewandeld. We hebben er nog geen adequate taal voor. En ik kan er ook geen taal voor vinden, maar met de vorm van dit boek probeer ik uitdrukking te geven aan de vele stemmen die samen resoneren.”

In 2017 publiceerde Macfarlane samen met illustrator Jackie Morris The Lost Words, een poëzie- en prentenboek voor kinderen over natuur-woorden die in het Engels steeds zeldzamer worden, waaronder ‘winterkoninkje’ en ‘ijsvogel’. In navolging van dat boek tooiden Macfarlane en Morris samen met een derde kunstenaar de kinderafdeling van een ziekenhuis met dichtregels uit het boek, en gangenlange muurschilderingen van grassen met krioelende beestjes en rivieren vol vis. Macfarlane schreef er een artikel over in de Times Literary Supplement, waarin hij een klassiek geworden onderzoek aanhaalt van de Zweedse onderzoeker Roger Ulrich, ‘View Through a Window’ uit 1984, waaruit blijkt dat patiënten die uitzicht hebben op ‘natuur’ ruim acht procent sneller herstellen dan patiënten die uitkijken op een blinde muur.

Hoe zou u dat helende effect van natuur verklaren?

„Dat is de andere kant van natuur: ze is niet alleen in de verdrukking, maar ook een ongelofelijke bron van plezier, troost, verlichting. Verklaren kan ik het niet. Er schijnen biochemische redenen voor te zijn, maar dat is niet mijn veld. Misschien heeft het te maken met connectie, met een geheel, met samenwerking. Bij ons is het nu ‘Mental Health Awareness Week’ en gaat het steeds over de goede uitwerking van natuur op de geestelijke gezondheid. Voor mij spreekt dat vanzelf. Ik haal mijn hart op bij het zien van die gierzwaluwen.”

Activisten zeggen: ‘Bomen hebben een geheugen. Ze slaan herinneringen op, net als koolstof.

Wat wordt er zoal gezegd over de werking van natuur op de geest?

„Het interesseert me wel, en denk dat ik er nog over zal schrijven. Maar ik zou er liever over vertellen aan de hand van persoonlijke verhalen dan via data. Er is in Wales een gezegde dat je letterlijk zou kunnen vertalen als: terugkeren naar je bomen. Het betekent iets als: een gebalanceerde geest terugvinden. Ik geloof dat bomen juist nu tot de verbeelding spreken. Je ziet het in Sheffield en Haiderabad, in India, waar al jaren actie wordt gevoerd tegen het kappen van bomen. Activisten zeggen: ‘Bomen hebben een geheugen. Ze slaan herinneringen op, net als koolstof. Ze geven ons schaduw, kalmte, een schone lucht.’ Eigenlijk wordt er geprotesteerd tegen de gedachte dat er niets waardevols is naast de mens.”

U draait er een beetje omheen, alsof u zich niet wilt uitspreken over de rol van natuur in genezing.

„Als je begint te praten over natuur als dienstverlener reduceer je het tot een kosten-batenanalyse. Er is een intrinsiek argument, naast een utilitaire afweging. De natuur is niet zomaar een vrijetijdspark. Haar betekenis is onweerlegbaar en onverklaarbaar.”