Raad van State: verbod op ritueel slachten tast vrijheid godsdienst aan

De Partij voor de Dieren wil onverdoofd slachten helemaal laten verbieden. Dat zou volgens de Raad van State de geloofsbeoefening van sommige joden en moslims in de weg staan.

Schapenkarkassen in de etalage van een islamitische slagerij in Zaandam.
Schapenkarkassen in de etalage van een islamitische slagerij in Zaandam. Foto Robin Utrecht/ANP

Een verbod op onverdoofd ritueel slachten zou een te grote inbreuk vormen op de vrijheid van godsdienst. Dat concludeert de Raad van State donderdag in een advies over een wetsvoorstel van de Partij voor de Dieren (PvdD). De partij wil een algeheel verbod op onverdoofde slacht. Partijleider Marianne Thieme brengt het wetsvoorstel deze donderdag ter stemming in de Tweede Kamer.

Aangescherpte regels

De Raad van State zegt dat dierenwelzijn belangrijk is, maar niet opweegt tegen de vrijheid van gelovigen om koosjer of halal te slachten. Belangrijk daarbij is voor het adviesorgaan dat de regels voor de rituele slacht sinds vorig jaar zijn aangescherpt. Een dier dat onverdoofd wordt afgemaakt, moet alsnog worden verdoofd als het na veertig seconden nog bij bewustzijn is. „Deze nieuwe regels respecteren zowel de vrijheid van godsdienst [...] als het belang van dierenwelzijn”, aldus de Raad.

Lees ook over de strengere regels voor de slacht: Is het geofferde lam of schaap wel halal?

Volgens Thieme „staat buiten kijf dat onverdoofd slachten groot dierenleed oplevert”. In de samenleving heerst „een breed gedragen en groeiende verontwaardiging” over het ritueel slachten, aldus Thieme. „De oproep aan de politiek om hier een einde aan te maken is luid en duidelijk.”

Verdoofd slachten is in principe al verplicht. Een uitzondering geldt voor islamitisch of joods ritueel slachten. Thieme heeft al eerder geprobeerd die uitzondering te schrappen. Een PvdD-wetsvoorstel daartoe sneuvelde in 2012 in de Eerste Kamer. Joodse en islamitische organisaties lobbyden destijds tegen het initiatief. Ook toen was het argument dat een verbod de godsdienstvrijheid in de weg zou zitten.