Recensie

Recensie Boeken

Mannen die hun leeftijd ontkennen

Bert Wagendorp In het vervolg op Ventoux laat Wagendorp vier vrienden, nu vijftigers, vooral veel keutelen.

Illustratie: Paul van der Steen

Een vervolg op Bert Wagendorps succesroman Ventoux (2013) – dat lijkt nog niet meteen een goed idee. Het verhaal van de personages uit dat boek leek ogenschijnlijk wel verteld. Een clubje jongens wier vriendschap na een fatale fietstocht op de Mont Ventoux on hold was komen te staan, pakte bijna dertig jaar na dato de draad op en nam revanche op de verloren tijd. Het kwam weer goed.

Maar meteen op de eerste bladzijde van Ferrara stippelt hoofdpersonage Bart, nu halverwege de vijftig, een verhaal uit dat het vertellen waard is – een andere draai aan hetzelfde thema, de ellende van de voortschrijdende tijd. Beginzin: ‘Heel lang is de dood voor ons geen onderwerp van gesprek geweest.’ Nog steeds vormen de vrienden ‘een bloeiende coöperatie van gedeelde herinneringen’. ‘We waren jong en niet van plan ooit oud te worden. Wie oud wordt komt terecht in de gevarenzone en dat was geen optie.’

Verteller Bart Hoffman en zijn kompanen zijn ouderdomsontkenners. En daarmee in hun nopjes: ‘Wat is er eigenlijk tegen ontkenning?’ fulmineert Hoffman, nog steeds op die eerste bladzijde. ‘Ontkenning is prima en maakt het leven een stuk leuker. Ontkennen is niet zielig, zoals je weleens hoort beweren. Het vereist moed en vastberadenheid.’ En oogkleppen en tunnelvisie – en is dus wel een beetje zielig. Bert Wagendorp (1956) heeft zo genoeg frictie en potentiële mislukking te pakken, een duidelijke probleemstelling, voor een verhaal over vijftigers in crisis.

De vier mannen moeten er toch echt vrede mee krijgen dat ze niet meer het middelpunt van het universum zijn, maar dat gaat niet vanzelf. Joost koopt vooralsnog een villa in het Italiaanse stadje Ferrara om dat te verbouwen tot ‘designhotel’; de kompanen pakken het vliegtuig om een poosje te komen klussen. Bart, gescheiden journalist met weinig omhanden, wordt voorbijgestreefd door zijn volwassen dochter die aankondigt iets doodengs te gaan doen, namelijk correspondent worden in het Midden-Oosten.

Kortebaanschrijver

En dat allemaal binnen de eerste veertig bladzijden van Ferrara. Je zou het als gevolg kunnen zien van de kortebaanschrijverij van Wagendorp, prominent Volkskrant-columnist: hij komt meteen tot de kern. In razende vaart wisselen de openingszetten van het verhaal af met columneske bespiegelingen, in hoofdstukjes die daardoor algauw topzwaar worden (‘Ik zag om me heen experimenten om absolute transparantie te betrachten en ik zag ook hoe mensen eraan kapotgingen; hoe ze hun ziel weggaven en achterbleven als een leeggeroofde stad’). Bart is steeds geneigd zijn instant-duiding er hapklaar bij te geven (‘Zo werd Ferrara een ander woord voor geluk’) – een hebbelijkheid van een columnist, of van een vijftiger die het allemaal wel doorheeft.

Lees ook de recensie van Ventoux: Wagendorps ode aan de wielersport

Het probleem van die stijl is: het wordt er allemaal nogal oppervlakkig van. Wat Wagendorp wil laten zien duidt hij direct aan, waardoor je er als lezer nauwelijks bij wordt betrokken. Daarom is ‘show, don’t tell’ zo’n belangrijke regel voor literaire schrijvers: hoe een personage zich voelt, wordt sterker opgeroepen als we het aan zijn handelingen afzien dan wanneer we eróver horen. De spanning moet nu van een metaniveau komen: uit het feit dat Bart het allemaal denkt te weten en te duiden, en de consequenties goedmoedig naast zich neerlegt. (Dat kan nooit goed gaan.)

Want dat is wat er in het lange middenstuk van Ferrara gebeurt: Bart keutelt rond, in en om Joosts villa. Omdat het toch beter is dat een heuse aannemer daar de verbouwing regelt dan een stel overmoedige vrienden, hebben zij tijd voor hobby’s en la dolce vita. Bart begint een amourette met de architecte, duikt in de stadsgeschiedenis van Ferrara, en gaat een boekje schrijven met lijntjes naar historische figuren als schrijver Giorgio Bassani en de vijftiende-eeuwse Petrarca-biograaf Rudolf Agricola. Fascinaties die veel feitelijke uitweidingen in de roman opleveren, maar niet echt overslaan op de lezer.

Illustratie Paul van der Steen

Iets minder wielrennerij

Het is wel onbekommerd en gezellig – alsof Wagendorp na Ventoux weer een vakantieboek wilde schrijven, met iets minder wielrennerij, maar wel vol toeristische gezelligheden. ‘We hadden inmiddels elk levend wezen dat de wateren van de Po en de Adriatische Zee herbergden wel een keer op tafel gehad’, schrijft hij, en iets verderop krijgen we er een pastareceptje bij: ‘Pompoen even in de oven gaar laten worden’, et cetera – tja. Soms lijkt Wagendorp te verwijzen naar andere Nederlandse romanciers die zich aan Italiaanse decors waagden: Bart noteert dat het verleden in Ferrara ‘krachtiger aanwezig is dan het heden’ (de stelling van Ilja Leonard Pfeijffers Grand Hotel Europa), en het adres van de villa is Via Cammello 13 (Christiaan Weijts schreef over Venetië in Via Cappello 23). De literaire ambitie van die romans heeft Wagendorp niet. Als het al verwijzingen zijn, doen ze weinig met het verhaal, zoals ook de vele filmtoespelingen, net als in Ventoux, eerder goedmoedige knikjes naar echte kunst zijn dan factoren van belang. Het nadeel is wel dat de landerigheid van Ferrara schril tegen die grote kunst afsteekt. Of wil Wagendorp met zijn dolce vita-uitweidingen tonen dat het niet allemaal groots en meeslepend over het einde van de beschaving hoeft te gaan? Dat vrolijk gekeutel ook aandacht verdient, zeker als je een zekere leeftijd hebt bereikt?

Machteloosheid

In elk geval doet in Ferrara vooral het persoonlijke ertoe. De beste momenten zijn de dialogen tussen de vrienden, de jongensjoligheid die herinnert aan Ventoux en even geestig is als in dat boek (en filmscenario). De belangrijkste wending neemt het verhaal als de penibele toestand van één van de vrienden aan het licht komt – als je dat door de talrijke red herrings niet al een poosje in de gaten had. De ontknoping hangt samen met Barts (overbezorgde) vrees voor zijn dochter in het Midden-Oosten. Er wordt een verhaallijn als een paardenmiddel uit de kast getrokken, inclusief een vrij belachelijke bijrol voor een Italiaans vissertje, maar Wagendorp slaagt er dan wel in om de spanning en emotionele betrokkenheid weer even te doen opleven.

Lees ook: Haal de onbeschofte lycraman van de weg

De dood móét dan wel onderwerp van gesprek worden, de machteloosheid omarmd, het gekeutel tot kunst verheven. ‘Het leek een verzoening met het leven, met wie we waren geworden en met wat ons nog te wachten stond’, slaat Wagendorp de boel nog even plat, alsof we niet doorhadden wat hij wilde laten zien – en je zou willen dat dat een uitzondering was. Het verschil tussen de aardig afgehechte roman die Ferrara is en een literair werk – waarin het draait om taal, suggestie, verbeelding – wordt er wel glashelder mee aangetoond.