Hogesluis over de Amstel

Halte Poëzie Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad Amsterdam.

Als op de Hogesluis de Oude Kerk achter de Zuiderkerk verdwijnt en zo tot één kerk lijkt te worden, en ik zie vanuit de 7 die enorme bak met water, het Amstel Hotel en de sluizen bij Carré, denk ik aan Multatuli. Eduard Douwes Dekker mag dan in de Korsjespoortsteeg zijn geboren, toevallig genoeg in het latere Multatuli Museum, Multatuli zag hier het levenslicht. In een op 24 oktober 1845 gedateerde brief aan Tine beschreef Douwes Dekker het moment: „Ik wandelde op een Zaturdag met mijn broer Willem, die helaas niet meer leeft – hij was een allerliefste jongen en drie jaar ouder dan ik – op de Hoogesluis te Amsterdam. (…) Voor ons uit liepen twee joden kinderen, een jongen en een meisje. Het waaide hard en het meisje dat het toezigt over haar broertje scheen te hebben, vermaande hem zijn mutsje goed vast te houden. Ik onthoud nogal goed kleinigheden, het was een fluweel baretje met schotse ruiten om den rand (…) Herinnert ge u die laagte naast de hooge sluis, daar waar een soort van tuintje is, bijna au niveau van het water? Daar waaide het mutsje in.” Even later laat de tienjarige mutsjesredder die zijn kleren scheurde en zijn handen schaafde „maar niet genoeg naar mijn zin” zich toejuichen door een kleine menigte: „O, die vervloekte ijdelheid! Ik gloeide van genot.”

Als ik op de Hogesluis aan Multatuli denk, denk ik aan zijn versjes. Zijn poëzie bevalt me minder. Als Multatuli er voor ging zitten, bakte hij misbaksels als ‘Aan mijn moeder’, dat zo begint: ‘Moeder, ‘k ben wel ver van ’t land/ Waar me ’t leven werd geschonken,/ Waar mijn eerste tranen blonken/ Waar ik opwies aan uw hand.’ Nee, dan de uit de mouw geschudde versjes die hij maakte voor de kinderen uit de klas van meester Pennewip, te weten Trijntje Fop, Lukas de Breyer, Lysje Webbelaar, Jannetje Rast, Grietje Wanzer, Leendert Snelleman, Slachterskeesje, Lukas de Wilde, Truitje Gier, Klaasje van der Gracht, Louwtje de Wilde, Wimpje de Wilde, Mietje de Wilde, Kees de Wilde, Piet de Wilde, Leentje de Haas en Wouter Pieterse niet te vergeten.

Wat een gezelschap! Hun verzen doen die van de Dichters van de Pléiade verbleken. Dit is ‘op de lente’ van Leendert Snelleman: ‘In de lente is het heel aardig,/ In Mei is mijn broertje jarig,/ Maar nu heeft hij wintervoeten,/ Zoodat wij de lente prijzen moeten./ Dan gaan wij samen kuieren,/ En op paasch, vacantie met eieren.’ ‘Op een windwijzer’ van Jannetje Rast gaat zo: ‘Hij staat op een schoorsteen van binnen vol roet,/ En wijst aan den wind hoe hij waaien moet.’ „Heeremensechristenzieligehemelsegoeiegenadigedeugdvanmeleven”, zoals Pennewip stamelde na het lezen van Woutertjes ‘Roverslied’.

Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad.