Het waren grootse dagen, weken, maanden

Ajax Ongekend was het, dit Ajax-seizoen. „We konden niet ophouden het elkaar te vertellen: wat een leuk stel het was.” Ernaar kijken is overigens nog een hele kunst, vindt Jan Donkers.

Ajacieden bij de zege in de eredivisie op PSV op 31 maart.
Ajacieden bij de zege in de eredivisie op PSV op 31 maart. Foto Olaf Kraak/ANP

Het bericht heeft deze krant niet gehaald, geloof ik, maar het schijnt dat in een café in de Ferdinand Bolstraat vorige week woensdag iemand in elkaar geslagen is omdat hij bij het derde doelpunt van Tottenham juichte. Ik ga dit natuurlijk absoluut niet verdedigen (integendeel: ik vind het schandalig) maar mag ik misschien toegeven dat ik een hele seconde lang dacht: had ik misschien ook kunnen doen? Want het luistert nauw, heel nauw, Ajax kijken in de Amsterdamse openbare ruimte (zeg: cafés, met bierpompen dus). Een verkeerde toeschouwer naast je, met verkeerde opmerkingen, het maakt de seriemoordenaar in je wakker.

Lees ook: Hossend in Café De Avonden: samen één met Ajax

Decennialang heb ik veel Ajax en Oranje in mijn stamcafé in de Huidenstraat gekeken, tot daar ook een keer iemand naast me stond (want in cafés kijk je staand) die me zachtjes vroeg „Wat zeggen ze? Buitenspel? Is dat erg?” Of de argeloze bezoeker die, ergens in de jaren 90, toen zelfs zoon Jordi al uitgevoetbald was, niets vermoedend binnenkwam om zijn gebruikelijke avondbiertje te drinken, de hossende menigte aanschouwde, een gezellig gezicht opzette, en zei: „O leuk! Voetjebal! Doet Cruijffie ook mee?”

Naar huis gehold

Rond die tijd week ik dus maar uit naar Welling, achter het Concertgebouw, tot ik tijdens een interland tegen Duitsland een van de tafeltjes (want in Welling keek je toen zittend) deelde met schrijver Jean-Paul Franssens. Nadat hij voor de derde keer luidkeels had uitgeroepen: „De Dhuitsers zhijn bheter!!” ben ik alsnog naar huis gehold om daar de rest van de wedstrijd te bekijken. Die we inderdaad verloren, als ik het me goed herinner.

Om ook de cafékijkers niet langer te hoeven dulden die na afloop zeggen ‘ach, het is maar een spelletje’ kijk ik sinds vele jaren thuis, want daar kun je het publiek uitkiezen. Mijn buren, mijn zoon, mijn vriendin (die alom respect oogst omdat ze niet alleen de geboortedatum maar ook de geboorteplaats van David Neres Google-loos kan oplepelen) en een zo langzamerhand absurd klein groepje vrienden van wie ik niets te vrezen heb aangaande het bovenstaande.

Supporters voor aanvang van het Champions League-duel tegen Tottenham Hotspur.

Foto Adrian Dennis/AFP

En: wat hebben we het mooi gehad met z’n allen. Ik hoorde een collega deze week verklaren dat dit „het beste Ajax was uit de geschiedenis”. Alleen al daarover valt een hele avond te discussiëren. Maar dan alleen met mensen van mijn generatie, die de Cruijff/Neeskens/Keizer-jaren hebben meegemaakt, dus weten hoe het was, in die jaren toen je naar De Meer ging met de vraag: „en wie gaan we vanmiddag weer eens oprollen?” En eigenlijk ook alleen met mensen die de volgende glorieperiode hebben meegemaakt, de kabel, Davids, Rijkaard, Kluivert… Want wie opgegroeid is met alleen de hoogtepunten, met YouTube-fragmenten, zal nooit weten hoe dat was, tweemaal drie kwartier kijken naar Cruijff c.s., zonder nog een uitslag te weten.

Knuffelend, zoenend

Was dit het beste? Misschien toch wel, al was het alleen maar omdat het zo totaal onverwacht was, na de grauwe jaren van het Nederlandse voetbal en van Amsterdam in het bijzonder. De zegetocht langs München, Madrid, Turijn en dus eigenlijk ook Londen… We konden niet ophouden het elkaar steeds opnieuw te vertellen: een hele selectie die net zoveel kostte als Gareth Bale in zijn eentje, of een halve Ronaldo. En wat een leuk stel het was, met elkaar, oud en jong, blank en gekleurd, elkaar knuffelend, zoenend. Zelfs de Balkan-boeventronie van Tadic kreeg iets heel sympathieks, in zijn euforie, in het aanstekelijke plezier waarmee hij dat nuffige vestje eindelijk de menigte in kon gooien.

Was dit het beste? Misschien toch wel, al was het alleen maar omdat het zo totaal onverwacht was

Maar de vraag is niet zonder emotie te stellen, laat staan te beantwoorden. Dat komt door het woordje ‘was’ in de vorige alinea. Ik schrijf dit niet voor het eerst, maar het voelt nu wel heel erg pregnant: ik blijk als kind al nooit van bijvoorbeeld mijn verjaardag te hebben kunnen genieten omdat ik wist dat het de volgende dag voorbij zou zijn… Een kinderlijke versie van Memento Mori. De wetenschap dat er vier of vijf van dit heerlijke elftal gaan vertrekken dempt al maandenlang mijn vreugde, en niet die van mij alleen.

De spelers na de uitschakeling in de Champions League.

Foto Olaf Kraak/ANP

En ja: het lijden na de verloren halve finale was heel groot: het was dat ik donderdag een radioprogramma moest doen, anders was ik mijn bed niet uitgekomen. Vrijdag waagde ik me weer in de supermarkt. Ik hoorde een vrouw tegen haar man zeggen: „Nou, verheug je dan maar op het Songfestival, volgende week.” Ik liet van schrik bijna mijn mandje uit mijn handen vallen. Op het wát?

Het waren grootse dagen, weken, maanden. En zoals de grote denker Meat Loaf het al verwoordde: two out of three ain’t bad.

Lees ook: Weet je nog, zullen we later zeggen, 2019, toen we Madrid veroverden?