Opinie

Geldtekort voor wetenschappelijk onderwijs wordt eindelijk erkend

Onderwijsblog Een nieuw adviesrapport erkent eindelijk het geldtekort in het wetenschappelijk onderwijs, maar laat het dan afweten, schrijven vier auteurs van WOinActie.

Remko de Waal/ANP

Het langverwachte rapport van de commissie-Van Rijn over de herverdeling van gelden binnen het hoger onderwijs en onderzoek is binnen. Van Rijn had van minister Ingrid van Engelshoven (OCW, D66) de opdracht meegekregen om er budgetneutraal – dus zonder extra geld – voor te zorgen dat de bèta- en techniekstudies financieel beter bedeeld zouden worden. Het rapport valt op omdat het ten eerste alle actiepunten en probleemanalyses van protest- en verbeterbeweging WOinActie bevestigt. En ten tweede omdat het vrij spectaculair faalt in het vinden van duurzame oplossingen voor de aanhoudende problematiek.

Om met dat eerste punt te beginnen: wat is er mis in het wetenschappelijk onderwijs? De erkenning van de probleemanalyses die WOinActie al geruime tijd onder de aandacht van de minister en overheid brengt, is opvallend. Voor het eerst geeft een officiële overheidspublicatie onomwonden toe dat de hoge werkdruk in het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek een reëel probleem is. Tevens bevestigt het rapport een andere analyse van WOinActie: de bekostiging per student die de universiteiten van de overheid krijgt is de laatste jaren flink gedaald. In weerwil van herhaalde beweringen van de minister van Onderwijs hebben volgens Van Rijn „groeiende studententaantallen en een slechts deels meebewegende bekostiging […] logischerwijs voor een daling van de rijksbijdrage per student” gezorgd.

De gevolgen van de hoge werkdruk en de te lage bekostiging beschrijft het rapport als volgt: „Dit wordt deels opgelost met beperking van opleidingscapaciteit, het accepteren van hoge student-stafratio’s, het opvoeren van onderwijstijd bij het personeel, ten koste van onderzoek.” Van Rijn maakt ook korte metten met de perverse prikkels die overbodige groei stimuleren, met onderlinge competitie tussen de universiteiten, met de financiële druk opgelegd door de stijgende instroom van internationale studenten.

WOinActie deelt deze analyse.

Onmogelijke opdracht

Tegelijk heeft WOinActie van meet af aan gesteld dat de commissie-Van Rijn had moeten erkennen dat ze voor een onmogelijke opdracht is gesteld: namelijk om een budgetneutrale oplossing te vinden voor de hierboven beschreven problemen in het wetenschappelijk onderwijs. Van Rijn doet dit tussen de regels, als hij stelt dat er „zonder extra middelen niet [kan] worden voorkomen dat instellingen met negatieve reallocatie-effecten voor lastige keuzes komen te staan”. Een ambtelijke manier om te zeggen dat opleidingen en banen zullen verdwijnen in de alfa- en gammadomeinen.

Vervolgens blijft Van Rijn echter binnen de kaders van de budgetneutrale opdracht en komt hij derhalve met oplossingen die voor veel medewerkers en studenten de bestaande problematiek juist zullen vergroten. Volgens Van Rijn dient er 250 miljoen euro ‘overgeheveld’ te worden binnen de onderwijsbegroting van de alfa- en gammawetenschappen (en wat geneeskunde) naar de bèta- en techniekstudies om de ergste nood daar te lenigen. Op jaarbasis betekent dit meteen volgende twee jaar al een aderlating van ruim 70 miljoen euro voor de alfa- en gammawetenschappen, die toch al zwaar onder druk staan. Een last die feitelijk ondraagbaar is.

Van Rijn refereert niet aan de heikele kwestie waarom de geesteswetenschappen (die er grosso modo veel slechter voor staan dan de bètawetenschappen) gekort zouden mogen of moeten worden. Geen woord wordt besteed aan het complementaire academische stelsel dat alfa, bèta en gamma vormen; er heerst stilte over het empirisch verifieerbare feit dat alfa en gamma veel goedkoper veel meer studenten afleveren dan bèta. Een maatschappelijke discussie over het nut en de rol van al het wetenschappelijk onderwijs in de samenleving – van alfa tot bèta tot gamma – is hard nodig: Van Rijn laat deze kans liggen.

Misser van jewelste

Het rapport van de commissie-Van Rijn is dus deels een juiste analyse van sommige van de fundamentele problemen die het wetenschappelijk onderwijs al lange tijd plagen. Ten dele is het ook een 134 pagina’s lang brevet van toegegeven onvermogen om het wetenschappelijke onderwijs te geven wat het nodig heeft. De overname van de analyse van WOinActie van de toestand van het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek door de commissie-Van Rijn is opmerkelijk en een bevestiging van de noodzaak van WOinActie om dit soort analyses, waar het ministerie in gebreke blijft, rechtstreeks vanaf de werkvloer te blijven geven.

Het onvermogen van de commissie om logisch verder te redeneren is een misser vanjewelste. Dit was hét moment geweest om het hele universitaire stelsel grondig onder de loep te nemen. Het rapport geeft de minister gelijk in haar bewering dat de universiteiten te hoge reserves hebben die eerst maar eens moeten worden uitgegeven, wat nogal cynisch overkomt in het licht van de 12 miljard euro overschot die het huidige kabinet zelf in reserve houdt. Vermoedelijk zal de voorjaarsnota dan ook een klein douceurtje bevatten dat de bezuinigingen op de alfa- en gammadomeinen opheft. Maar dan zijn we weer terug bij af, namelijk bij een tekort van 1,15 miljard euro over de breedte van het wetenschappelijk onderwijs. WOinActie blijft daarom bij zijn eisen: herstel de overheidsbijdrage per student naar het niveau van 2000 en investeer 1,15 miljard euro extra in het wetenschappelijk onderwijs.

Hiërarchie

Naast extra investeringen roept WOinActie op tot een breed debat over een ander fundamenteel gebleken probleem van de huidige universitaire structuur: de starre top-down-hiërarchie waarin verantwoording alleen omhoog wordt afgelegd en niet omlaag en die aanleiding heeft gegeven tot een hausse aan ernstige (machtsmisbruik)zaken, meest recentelijk aan de Universiteit van Amsterdam, maar ook aan andere universiteiten, zoals de uit hand gelopen reisdeclaraties van ruim 120.000 euro per jaar door de voorzitter van een college van bestuur. Deze zaken staan niet los van de onderinvesteringen: beide zijn symptomatisch voor de (te) grote afstand die al te vaak bestaat tussen bestuurders en wetenschappers. Deze afstand moet volgens WOinActie broodnodig worden gedicht.

Terwijl het rapport de excessen en inherent zwakke plekken van het huidige neoliberale financieringsmodel voor het wetenschappelijk onderwijs duidelijk vaststelt, gaat het op de oude, onvoldoende bevonden voet verder: het onderwijs kan zelfs leren van de zorg, volgens Van Rijn zelf. Van Rijn brengt zo niet alleen een harde slag toe aan interdisciplinaire solidariteit in de wetenschap, maar laat ook onverbloemd zien gespeend te zijn van enige visie op de lange termijn voor het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek. De moeilijke vragen over de toekomst van het w.o. in Nederland blijven onbeantwoord en het zal aan de universiteiten zijn – niet de ambtelijke instellingen, maar staf en studenten zelf – om de antwoorden te vinden. WOinActie zal daaraan blijven bijdragen en roept alle leden van de universitaire gemeenschap op om dat gezamenlijk te doen.

Rens Bod, hoogleraar computationele en digitale geesteswetenschappen, Universiteit van Amsterdam.
Remco Breuker, hoogleraar Koreastudies, Universiteit Leiden.
Niels Niessen, literatuurwetenschap, Universiteit van Amsterdam.
Ingrid Robeyns, hoogleraar filosofie, Universiteit Utrecht.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.