‘Een 9 of hoger komt bij dit examen zelden voor’

Jan van Eijck doceert tekenen (‘oude stijl’) op het Onze Lieve Vrouwelyceum in Breda. „Met hart en ziel”, zegt zijn collega, en veel kennis van kunst en de tekentechnische kant. Wat vond hij van het vwo-examen?

Foto Bas Czerwinski / ANP

‘Ik vrees dat veel leerlingen het een moeilijk examen vonden. Ik denk dat ze vaak niet wisten waar ze het antwoord moesten zoeken.

„Het onderdeel ‘menselijke maat’ bijvoorbeeld begon met vragen over de renaissance. Via ‘De mens van Vitruvius’ van Leonardo Da Vinci gingen ze naar stedenbouwkundige Le Corbusier uit de 20e eeuw, en vervolgens naar Leon Krier en het nieuwe urbanisme. Die stroming zal voor veel leerlingen nieuw zijn. Ze moeten dan uit de plaatjes opmaken wat het inhoudt.

„In de laatste vraag moesten ze drie redenen geven waarom Kriers ontwerpen volgens critici geen oplossing bieden voor hedendaagse stedenbouwkundige vraagstukken. Dan moet je dus weten wat die hedendaagse vraagstukken zijn. Eén kunnen ze er misschien wel verzinnen, maar drie? Dat lijkt me lastig.

„Het eerste onderdeel, ‘tapijten en borduursels’, vond ik een leuke serie vragen. Ze gingen van het wandtapijt van Charles le Brun over Lodewijk XIV uit 1667 naar de Franse kunstenaar Louise Bourgeois uit de 20e eeuw; de dochter van een handelaar in wandtapijten. En dan naar de borduurwerken van Rob Scholte. Dat vind ik een mooie koppeling. Ik denk dat leerlingen daar iets mee kunnen: het werk van Le Brun is behandeld en ik vermoed dat Scholte een kunstenaar is die bij leerlingen tot de verbeelding spreekt.

„In dit onderdeel staat de enige kunsthistorische vraag: ‘Geef drie argumenten waarom Self portrait van Scholte postmodern is.’ Jammer dat er niet meer van waren. Leerlingen moesten de kunsthistorie van klassiek tot heden ten dage kennen, daar zijn we jaren mee bezig geweest. Het kwam nauwelijks aan bod.

„Een 9 of hoger komt bij het schriftelijke examen zelden voor. Vaak komen ze wel positief de zaal uit, maar dan valt het bij het nakijken toch tegen. Ik vind de examens goed, maar ze zijn abstract: er is veel ruimte om te redeneren, verbanden te leggen en diepere achtergronden te zoeken. Dat kan lastig zijn.

„Het eindexamen bestaat voor de helft uit praktijk. Een goede en leuke manier van examineren. Leerlingen kiezen een van de mogelijke thema’s en doen een beeldend onderzoek. Dat betekent dat ze een visueel probleem bij het thema bedenken en dat van verschillende kanten benaderen. Ze beschrijven vooraf wat ze willen doen, en achteraf wat ze hebben gedaan. Ze richten zelf een tentoonstelling in met schetsen en eindwerken.

„Een leerling die het thema ’Pay no attention to that man behind the curtain’ koos, nam bijvoorbeeld een foto van iemand met wie het niet goed gaat. Die persoon hield een heel vrolijk masker voor, in onnatuurlijke kleuren geschilderd. Als onderzoek heeft ze onder meer allerlei gezichtsuitdrukkingen bestudeerd: waarom werkt de ene wel, en de andere niet?

„Ik hoop dat het vak tekenen leerlingen leert dat ze de wereld op allerlei manieren kunnen bekijken. Dat ze hun eigen blik in twijfel kunnen trekken. Als je via beelden communiceert, zet je je zintuigen op scherp, en sta je opener naar de wereld.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.