Recensie

Recensie Boeken

Minnaressen, geldnood en vriendschap met de tsarina: het meeslepende leven van Diderot

Denis Diderot Vergeleken met de twee grote helden van de Verlichting, Voltaire en Rousseau, bleef de Franse filosoof Denis Diderot lange tijd een marginale figuur. Ten onrechte, zo blijkt uit twee boeken over zijn leven.

Prent van de Franse filosoof Denis Diderot (1713-1784) in een gezelschap uit ‘The Artistic Illustration’, 1888
Prent van de Franse filosoof Denis Diderot (1713-1784) in een gezelschap uit ‘The Artistic Illustration’, 1888 Universal Images Group/Getty Images

Als Denis Diderot (1713-1784) iets belangrijk vond, dan was het wel zijn nalatenschap. Roem bij het nageslacht is voor een filosoof hetzelfde als de hemel voor gelovigen, meende hij, dus daar moest je rekening mee houden. De door hem bewonderde beeldhouwer Falconet vond dat nogal hoogdravend. Zodra mijn werk het atelier uit wordt gereden, aldus de kunstenaar, vergeet ik het.

Toch had Diderot wel enige reden tot zorg. Zo werd het werk van die andere twee helden van de Verlichting, Voltaire en Rousseau, in de erop volgende eeuwen volop gedrukt, gelezen en besproken. De Franse Revolutie bracht hun stoffelijk overschot onder massale belangstelling naar het Panthéon, waar ze ondanks hun wederzijdse afkeer nog altijd recht tegenover elkaar liggen. Maar Diderots reputatie bleef lang marginaal, ook al was hij de drijvende kracht achter de Encyclopédie, dat boegbeeld van de Verlichting in 28 delen.

Er is inmiddels wel een monument voor hem in het Panthéon, alleen is er geen graf. Dat moet zich ergens in de Saint Roch-kerk van Parijs bevinden en ik heb er wel eens naar gezocht. De dienstdoende priester ontkende glashard dat de beruchte atheïst er lag, omdat bij de Revolutie alles overhoop was gehaald. Ik geloofde er niets van, maar nu blijkt uit de mooie proloog van Andrew Currans biografie van Diderot dat dit verhaal waarschijnlijk toch klopt. De Saint Roch werd herhaaldelijk geplunderd, de graven werden leeggeroofd, menselijke resten bleven op de kerkvloer achter en kwamen vermoedelijk elders in een massagraf terecht.

Loslippige sieraden

Met Diderots schriftelijke nalatenschap stond het er aanvankelijk niet veel beter voor. Een deel van zijn werk verscheen anoniem of onder een andere naam. Veel durfde hij tijdens zijn leven niet te publiceren, nadat hij in 1749 een tijd gevangen had gezeten in het kasteel van Vincennes.

Diderot werd, terecht, verdacht van twee schandaalverwekkende anonieme publicaties, de Pensées philosophiques (1746) en Les bijoux indiscrets (1748). Dat laatste boek was een roman waarin een magische ring de vrouwelijke geslachtsdelen van een gezelschap over hun meest intieme ervaringen doet fluisteren, met alle hilarische gevolgen van dien. Het boek stond vol toespelingen op tijdgenoten en verscheen een jaar of tien geleden in vertaling onder de geniale titel De losplippige sieraden. Maar het was de Lettre sur les aveugles (Brief over de blinden, 1749) die Diderot de das om deed. Niet alleen omdat hij een paar invloedrijke mensen ridiculiseerde, maar ook vanwege de volgens Curran besmettelijke atheïstische ‘koorts’ van het boek.

Eerst ontkende Diderot alles, maar door het strenge gevangenisregime bond hij snel in, zodat hij meer bewegingsvrijheid kreeg om te werken en bezoek te ontvangen. Toen hij na enkele maanden aan politiecommissaris Berryer beloofde nooit meer zulke aanstootgevende geschriften te publiceren werd hij vrijgelaten. Bedenk wel, voegde de commissaris hem toe, dat het nu om maanden ging; de volgende keer zouden het decennia zijn.

Madame de Pompadour

De rest van zijn leven manoeuvreerde Diderot dus behoedzaam in de onvoorspelbare tussenruimte van wat de censuur gedoogde en anonimiteit en maskerade mogelijk maakten. Zo steunde de machtige minnares van Lodewijk XV, Madame de Pompadour, de Encyclopédie tegen aanvallen van de Jezuïeten en was de repressie soms minder meedogenloos dan werd gesuggereerd. Het hoofd van de censuur bijvoorbeeld was de met Diderot en de Verlichting sympathiserende Malesherbes. Toen die opdracht kreeg zijn werk te confisqueren reed in de voorafgaande nacht een koets voor om de talloze artikelen en manuscripten in veiligheid te brengen. En wel bij Malesherbes thuis.

Het leven van Diderot heeft net als dat van Voltaire en van Rousseau veel weg van een schelmenroman, en die schelmenromans zijn een feest om te lezen. Over hoe hij uit een karmelietenklooster ontsnapte waarin zijn vader hem had laten opsluiten om zijn huwelijk met Nanette te verhinderen. Of over zijn minnaressen, zijn ruzie met Rousseau en de drinkgelagen en nachtelijke discussies in de salon van Baron d’Holbach.

Curran bespreekt ook Diderots bezoek aan Catherina de Grote in Sint-Petersburg (1773-1774), waar Robert Zaretsky nu een apart boek aan heeft gewijd. Net als Frederik de Grote was zij een aanhanger van de Franse Verlichting en nodigde zij schrijvers en denkers uit aan haar hof. Maar Sint-Petersburg was ver en je wist niet precies wat je daar te wachten stond.

Geldnood

Diderot kon echter niet weigeren. Want Catharina was bijzonder genereus geweest en had, toen hij in geldnood raakte, zijn bibliotheek gekocht. De boeken hoefde hij pas na zijn dood te leveren en als beheerder ervan werd hem ook nog eens een enorm jaargeld ter beschikking gesteld.

Diderot stelde voor de hoofdstad naar Moskou te verplaatsen en toen dat niet mogelijk bleek Sint-Petersburg tot een soort Parijs om te vormen.

Toen de filosoof eindelijk in het ijskoude Sint-Petersburg aankwam kreeg hij drie tot vier keer per week toegang tot de keizerin. Zowel Zaretsky als Curran herinneren aan de beroemde anekdote waarin hij zo bevlogen met haar discussieerde dat hij haar zoals bij zijn vrienden steeds op het been timmerde. Catharina liet een salontafeltje tussen hen inzetten.

Onder haar bewind was er geen censuur en ze schafte een aantal wreedheden in het rechtssysteem af. Zaretsky’s Catherine & Diderot suggereert dat de beweeglijke denker en briljante causeur niet veel invloed op haar beleid heeft uitgeoefend. Ze vond zelf ook dat het lot van de lijfeigenen verbeterd moest worden, maar veel veranderde er niet. Diderot stelde voor de hoofdstad naar Moskou te verplaatsen en toen dat niet mogelijk bleek Sint-Petersburg tot een soort Parijs om te vormen door handwerkslieden uit heel Rusland er heen te brengen.

Slavernij

Op de terugweg logeerde hij bij zijn vriend Golitsyn, Russisch ambassadeur in Den Haag. Daar reflecteerde hij op zijn ervaringen met Catharina en toen hij de tsarina liet weten ook haar politieke geschrift, de Nakaz, onder handen te nemen drukte Golitsyn, waarschijnlijk op haar instigatie, het manuscript achterover. Gelukkig beschikte Diderot al over een kopie.

Het grootste deel van Diderots werk verscheen postuum: de rijke en ontroerende briefwisseling met zijn minnares Sophie Volland, de dialogen, opstellen, verhalen en verhandelingen over kunst, religie, politiek, theater en moraal. Ze zijn geestig, schunnig, verrassend, vreemd, ontroerend en visionair. In die nalatenschap lezen we hoe vooruitstrevend hij dacht over vrouwen, over seksuele identiteit, over kolonialisme en slavernij, en hoe onbevangen hij erop los droomde, alsof de achttiende eeuw een springplank was naar het paradijs.