Recensie

Recensie

Historische binnensteden moeten plaatsmaken voor mislukte woningcomplexen

100 jaar Bauhaus In het jubileumjaar wordt het Bauhaus vooral herdacht als kunsthogeschool die een schitterende nieuwe wereld wilde vormgeven. Maar architectuurhistoricus James Stevens Curl vindt de Bauhauswereld afgrijselijk.

Flatgebouw Le Tripode in Nantes uit 1972 werd in 2005 opgeblazen
Flatgebouw Le Tripode in Nantes uit 1972 werd in 2005 opgeblazen Foto Alain Dessau/Getty

Je ziet hem zitten, de oude, knorrige Berlage, in de tuin rondom het kasteel van het Zwitserse stadje La Sarraz. Binnen zijn 27 jongere architectencollega’s, onder wie Le Corbusier, Gerrit Rietveld en Mart Stam, druk bezig met het opstellen van het manifest van de Congrès Internationaux d’Architecture Moderne (CIAM), de internationale vereniging van modernistische architecten die van 1928 tot 1959 zou bestaan en buitengewoon invloedrijk zou worden. Hoewel hij eregast is op het oprichtingscongres van CIAM en veel architecten binnen hem als een vaderfiguur beschouwen, tekent Hendrik Petrus Berlage liever buiten het eeuwenoude kasteel. Later, als La Déclaration de La Sarraz eindelijk op papier staat, weigert hij met de andere congresgangers op de foto te gaan. Wel komt zijn naam onder de verklaring te staan, maar als Rietveld hem vraagt waarom hij geen lid wil worden van CIAM, antwoordt hij dat ‘jullie alles kapot maken wat ik heb opgebouwd’.

Vreemd genoeg wordt Berlage ondanks zijn afkeer van de CIAM nog altijd algemeen beschouwd als de vader van de modernistische architectuur. Zijn ‘rationalistische’ benadering van de bouwkunst vormde de grondslag van het ‘functionalistische’ Nieuwe Bouwen van architecten als Mart Stam, zo luidt de mantra die architectuurhistorici nu al bijna een eeuw herhalen. Maar in Making Dystopia. The Strange Rise and Survival of Architectural Barbarism maakt de Britse emeritus hoogleraar architectuurgeschiedenis James Stevens Curl (1937) korte metten met Berlages vaderschap. Het modernisme heeft geen vaders, zo laat hij overtuigend zien: niet alleen Berlage, maar ook de Oostenrijker Otto Wagner en de Britten William Morris en Charles Voysey zijn dit niet. Het modernisme was een ware revolutie.

Querulant Van Doesburg

Een van de belangrijkste plekken waar de revolutie plaatsvond, was het Bauhaus, de beroemde Duitse kunsthogeschool die de Pruisische architect Walter Gropius een eeuw geleden in Weimar oprichtte en die in 1933, inmiddels verhuisd naar Berlijn, werd gesloten. Uitgebreid beschrijft Stevens Curl, die een reeks boeken over de 18de- en 19de-eeuwse architectuur publiceerde, de wordingsgeschiedenis van de modernistische architectuur en vormgeving aan het Bauhaus. Zijn verhaal komt grotendeels overeen met dat van Magdalena Droste, oud-conservator van het Bauhaus Archiv in Berlijn, in 100 Years of Bauhaus, een herziene en uitgebreide jubileumversie van Bauhaus 1919-1933 uit 1990. Net als Droste schetst Stevens Curl het Bauhaus niet als een monolithisch instituut, maar als een hogeschool die verschillende fases en opvattingen kende. De enige constante in het veertienjarige bestaan van Bauhaus was het streven om op de puinhopen van de oude wereld een nieuwe te bouwen.

De eerste jaren van zijn bestaan stond het Bauhaus in het teken van het expressionisme, de belangrijkste stroming in de moderne kunst- en vormgeving in het Duitsland van omstreeks de Eerste Wereldoorlog. Maar dankzij Theo van Doesburg, oprichter en onvermoeibaar propagandist van De Stijl, kreeg het constructivisme voet aan de grond bij het Bauhaus, zo laat Droste zien.

Haar uitgebreide behandeling van de invloed van De Stijl op het Bauhaus is opmerkelijk, want toen Droste een jaar of dertig geleden als conservator van het Bauhaus Archiv in Berlijn begon te publiceren, was Van Doesburg nog ‘persona non grata’ in Duitsland. Hoewel Van Doesburg in de jaren 1921-1922 in de Bauhausstad Weimar met succes De Stijl-cursussen had gegeven en tientallen Bauhausstudenten had afgebracht van het ‘achterlijke’ expressionisme en hun had geleerd wat echt ‘modern’ was, beschouwden Droste en andere Duitse Bauhaus-historici hem als een querulant die het vermelden niet waard was. Maar nadat Sjarel Ex, nu directeur van Museum Boijmans Van Beuningen, in zijn boek Theo van Doesburg en het Bauhaus (2000) onomstotelijk had aangetoond dat De Stijl een beslissende invloed op het Bauhaus had, heeft Van Doesburg nu ook in de Duitse geschiedschrijving van het Bauhaus de plaats gekregen waar hij recht op heeft.

Zuiveringen

Na Van Doesburgs verblijf in Weimar begon het Bauhaus aan zijn ‘functionalistische’ jaren. Ook Bauhaus-oprichter Walter Gropius – tot zijn kennismaking met De Stijl een expressionist – stapte over op het Nieuwe Bouwen, en ontwierp het ‘iconische’ schoolgebouw in Dessau waar het Bauhaus zich in 1926 vestigde.

De woonwijk Pruitt-Igoe in St. Louis uit 1955, ontworpen door Minoru Yamasaki, werd in 1972 opgeblazen.Foto Lee Balterman/Getty

Twee jaar later werd Gropius, die de politiek altijd angstvallig buiten de deur van het Bauhaus had proberen te houden, als directeur opgevolgd door de Zwitserse architect Hannes Meyer. Die introduceerde niet alleen een strenge versie van het functionalisme aan het Bauhaus, maar ook een engagement met het communisme. Na twee jaar moest Meyer onder druk van rechtse en nazistische politici in Dessau het veld ruimen en vertrok hij naar de Sovjet-Unie om nieuwe steden te ontwerpen.

Zijn opvolger Ludwig Mies van der Rohe stelde orde op zaken. De architect, die bekend zou worden om de uitspraak ‘weniger ist mehr’, zuiverde niet alleen het Bauhaus met harde hand van communistische studenten en docenten, maar verving Meyers dorre functionalisme ook door een zuiver esthetische en luxueuze variant van het Nieuwe Bouwen. Het hielp niet: ondanks Mies van der Rohes zuiveringen bleef het Bauhaus in de ogen van veel nazi’s een cultuurbolsjewistisch bolwerk.

Moreel verwerpelijk

Met de sluiting van het Bauhaus op last van de nazi’s in 1933 eindigt Drostes geschiedenis abrupt. Maar in Making Dystopia begint die dan pas echt. Uitvoerig laat Stevens Curl lezen hoe de revolutie eerst leek te mislukken: niet alleen in nazi-Duitsland maar in vrijwel alle Europese landen was het Nieuwe Bouwen in de jaren dertig op zijn retour. Maar na de Tweede Wereldoorlog brak het op wonderlijke wijze alsnog door.

Lees ook: Hoe De Stijl het Bauhaus zijn stijl gaf

In zijn analyse van de uitgestelde revolutie geeft Stevens Curls hiervoor een aantal redenen waar architectuurhistorici tot nu toe weinig aandacht aan hebben besteed. Zo wijst hij erop dat de invloedrijke stedenbouwkundige ideeën van Le Corbusier, wiens fascistische opvattingen hij overigens nadrukkelijk vermeldt, precies overeenkwamen met die van de leiding van General Motors. Net als de Amerikaanse autofabrikant pleitte Le Corbusier bijvoorbeeld voor de rigoureuze afbraak van oude steden en de aanleg van snelwegen.

Maar de belangrijkste redenen voor de modernistische revolutie waren volgens Stevens Curl van culturele en morele aard. De belangrijkste is dat traditionalisme en vooral classicisme in de architectuur na de Tweede Wereldoorlog verdacht en zelfs verwerpelijk waren geworden, omdat Hitler modernisme afwees en hoogstpersoonlijk een modern classicisme met spaarzame ornamentiek tot de voornaamste bouwstijl van het Derde Rijk had uitgeroepen. De keerzijde hiervan was dat hoewel de Duitse Bauhaus-architect Fritz Ertl in de jaren 1941-1942 met het immense vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau het grootste Bauhaus-project uit de geschiedenis realiseerde, het modernisme na 1945 de stijl van de vooruitgang, vrijheid en democratie werd.

Niet alleen in West-Europa werd het modernisme de belangrijkste architectuurstijl, maar ook in de Verenigde Staten waar het met de nazi-stijl verwante stripped classicism in de jaren dertig ook vaak werd gebruikt voor overheidsgebouwen. Daar werden de ex-Bauhausdirecteuren Gropius en Mies van der Rohe na hun immigratie in 1937 door het culturele establishment onthaald als de ‘Witte Goden’ die verlossing kwamen brengen, zoals Tom Wolfe al op geestige wijze beschreef in From Bauhaus To Our House (1981).

Intellectuele religie

Zo groeide de Bauhaus-architectuur uit tot de ‘laatste religie van de westerse intellectueel’, laat Stevens Curl Philip Johnson zeggen, de Amerikaanse architect die zijn loopbaan begon als de apostel en imitator van de übermodernistische verlosser Mies van der Rohe, maar al in de jaren zeventig vaststelde dat het modernisme was uitgelopen op een ‘reusachtige flop’. Zelf noemt Stevens Curl het modernisme een ‘pseudo-religieuze cultus die, zoals alle cultussen, irrationeel is en niet vatbaar voor logische argumenten’.

De woonwijk Pruitt-Igoe in St. Louis voordat hij in 1972 werd opgeblazen Foto Lee Balterman/Getty

Dit religieuze karakter verklaart ook waarom modernistische architecten en architectuurhistorici op zoek gingen naar voorlopers. Zoals de komst van Jezus volgens zijn aanhangers door eerdere profeten was aangekondigd, zo moesten ook de modernisten voorgangers als Berlage krijgen. Op die manier kon het modernisme worden voorgesteld als het onvermijdelijke en onontkoombare eindpunt van een lange ontwikkeling in de architectuur.

Maar, zo laat Stevens Curl zien, met het ‘rationalisme’ van Berlage had het modernisme niets van doen. Modernistische dogma’s, zoals ‘less is more’ en ‘een goed dak is plat’, werden weliswaar gerechtvaardigd met rationalistische retoriek, maar hadden weinig met doelmatigheid te maken. Het modernisme was vooral een kwestie van minimalistische esthetiek die functioneel oogde maar dit meestal niet was. Dat werd al meteen duidelijk toen Bauhausdirecteur Gropius in Dessau in de jaren 1926-28 Törten bouwde, zijn eerste woonwijk met geprefabriceerde, betonnen woningen met platte daken. Gropius’ ‘machinewoningen’ functioneerden zo gebrekkig dat de bewoners hun huizen moesten verbouwen om ze bewoonbaar te maken.

Bijlmer

Toch werden na de Tweede Wereldoorlog overal in Europa en Amerika steeds meer en steeds grotere Törtens gebouwd, niet alleen in buitenwijken maar ook in oude binnensteden. Behept met een haat tegen de oude wereld begonnen de modernistische stedenbouwers aan de afbraak van historische binnensteden. Vaak functioneerden de kantoor- en woningcomplexen die ervoor in de plaats kwamen in bouwkundig en sociaal opzicht zo slecht dat ze al na enkele decennia werden gesloopt. Ook veel modernistische buitenwijken, zoals de Bijlmermeer in Amsterdam en de talrijke brutalistische woningcomplexen in het Verenigd Koninkrijk, zijn binnen dertig jaar na hun voltooiing gedeeltelijk of zelfs helemaal met de grond gelijk gemaakt.

Wat Stevens Curl betreft heeft de ‘laatste religie van de westerse intellectueel’ dan ook vooral geleid tot ‘architectonische barbarij’. Jammer genoeg draaft hij hierin door. Hij haat het modernisme en alles wat daarbij hoort net zo intens als de iconoclastische Bauhäusler de oude wereld. Hij beperkt zich dan ook niet tot architectuur en stedenbouw. In Thierry Baudet-achtige tirades tegen de moderne wereld in het algemeen betreurt hij bijvoorbeeld herhaaldelijk het verdwijnen van het onderscheid tussen hoge en lage cultuur en de teloorgang van traditie en religie. Hiermee ondergraaft hij uiteindelijk zijn scherpzinnige en genadeloze analyse van het modernisme: hij heeft het de nog altijd talrijke Bauhaus-gelovigen nu wel erg gemakkelijk gemaakt om Making Dystopia af te doen als het geraaskal van een oude, typisch Britse reactionair die verlangt naar een ‘hele’ wereld die nooit heeft bestaan.

Correctie (17 mei 2019): Bij een eerdere versie van dit artikel was bij de foto van de woonwijk Pruitt-Igoe in St. Louis foutief vermeld dat het om het een woningcomplex in Parijs zou gaan. Dat is hierboven aangepast.