Elly Ameling

Foto Frank Ruiter

‘Voor het luisteren van een nieuwe plaat dronk ik me moed in met een wodka orange’

Elly Ameling Elly Ameling (86) zingt al 23 jaar geen concerten meer, maar ze geeft nog wel les: actief, alert, geestig en onversaagd perfectionistisch.

‘Voor het luisteren van een nieuwe plaat dronk ik me moed in met een wodka orange’

De instructies vooraf zijn helder: sla af naar het huis aan de waterzijde, dat met de grote gele brievenbus, ooit aangeschaft om pakketten met Philips-grammofoonplaten in te kunnen ontvangen. „Steeds gaan mensen naar de andere kant van de dijk, maar daar hebben ze paarden, en kunnen ze niet zingen”, schrijft Elly Ameling per mail. Haar bungalow ligt aan een oprijlaan waarop vinkjes hippen en waarlangs de bloesembomen op springen staan. „Kijk, hier liggen veertjes”, zegt ze – en wijst naar een zompig hoopje dons. „Zielig.”

Het huis heeft grote ramen rondom. Ze woont er heerlijk, zegt ze: aan alle zijden omringd door groen. Op haar bureau liggen gedichten van Paul Verlaine opengeslagen, in de kast staan boeken over Japanse tuinen, Rome, muziek, literatuur. De nieuwste aanwinsten, Otmars Zonen van Peter Buwalda en Frits Bolkesteins Bij het scheiden van de markt liggen bovenop. „Ik ben net begonnen in Buwalda”, wijst ze. „Maar ik viel meteen in een nogal heftige seksscène. Ik weet nog niet zeker of het me zal bevallen.”

Sopraan Elly Ameling zingt al bijna 25 jaar geen concerten meer. Maar ze geeft nog wel overal ter wereld les. Deze maand zijn het masterclasses op het Internationaal Lied Festival Zeist, waar ook bas Robert Holl doceert en haar ster-leerling Lenneke Ruiten een recital geeft. Ameling behandelt het Franse lied: gedichten van Verlaine zoals getoonzet door Fauré en Debussy.

Thuis klinkt uit de stereo geen lied, maar haar jazzalbum Sentimental Me (1984). „Sommigen vinden dat ik me alsnog van die cd moet distantiëren”, lacht ze. „Dat vind ik helemaal niet. In de jazz zijn verschillende stijlen mogelijk. Goed, Elly was geen Ella. Maar om met Louis van Dijk op piano en John Clayton op contrabas over de maatstreep te swingen vond ik echt een feest. De teksten zijn vaak ook ijzersterk. En vergeleken bij de huidige popmuziek vind ik die jazzsongs heel elegant.”

Ameling praat snel en veel – ze waarschuwt er zelf voor. „Ja, ik leef nog! Mijn moeder werd 86, mijn huidige leeftijd. Maar velen in mijn familie werden aanzienlijk ouder dan negentig. De vraag is hoe. Ik probeer er rekening mee te houden dat een bedlegerige laatste fase ook mij kan overkomen. Daar spaar ik voor, om dan goed verzorgd te kunnen worden. Het punt is alleen dat als Donald Trump een scheet laat in Beijing, ieders financiële situatie daaronder lijdt. Mijn man zei het al: ‘Het leven is levensgevaarlijk’.”

Terugkijkend op dat leven: wat was uw leidraad?

„Gebruik je talent, dát was mijn motto. Mijn zangtalent was niet zo heel groot. Maar ik heb mijn stem ontwikkeld en haar gediend. Dat klinkt tegenwoordig misschien wat ongebruikelijk, dienstbaar willen zijn, maar het is waar ik voor heb geleefd: het naar voren brengen van wat de componist en de tekstdichter hebben bedoeld in lied en orkestlied. Op opera was ik niet gebouwd. Ken jezelf.”

Tegen het raam klinkt zacht een tikkend geluidje. Ameling kijkt op. „Dag vinkje, dag jochie!”

„Daar zit vaak een vogeltje”, zegt ze. „Ik kijk er graag naar.”

U besprak net vrij analytisch uw jazzplaat. Was u altijd zo kritisch op uzelf?

„Altijd als er een plaat of cd werd thuisbezorgd, wist ik: nu kan ik er niks meer aan doen. Voor het luisteren dronk ik me moed in met een wodka orange, en inderdaad volgde steevast een teleurstelling. Ik hoorde altijd details die beter hadden gekund. Inmiddels vind ik mijn oude opnames doorgaans wél goed. Er klinkt begrip in door; stijl, invoeling, uitdrukking. Niet het jezelf centraal willen stellen als persoontje, wat veel liedzangers in mijn oren diskwalificeert. Zangers zijn er voor de muziek. Niet andersom.”

Uw dienstbaarheid aan de muziek ging, las ik, zo ver dat u afzag van een gezin?

„Ja. Ik heb wel erg naar kinderen verlangd, ik had zelfs een boekje met namen. Maar wat zou er van die levens terechtkomen als ik, de moeder, altijd weg zou zijn op concertreizen? De keuze voor mijn carrière was een grote, maar geen zware. Zingen was mijn leven.”

Nooit getwijfeld?

„Natuurlijk wel, ik heb een tijdje in een boekwinkel gewerkt. Maar het boekhandelarenexamen was moeilijk, en toen dacht ik: dat krijg ik nooit gedaan. Zingen kan ik wél.

„Ik vind dat ik de goede keuzes heb gemaakt, ik kijk terug op een succesvolle internationale carrière. Zelfs al had ik echt geen gemakkelijke stem. Maar als ik ontevreden was, bleef ik proberen mezelf te verbeteren. Prent je dat in, jonge zangers: discipline loont! Ik las laatst in het tijdschrift van de Vereniging van Zangpedagogen dat je ‘niet mooi hoeft te zingen, als het maar uitdrukking heeft’. Onzin. Dat is de helft van het werk.”

Want?

„Neem het Pergamon-altaar in Berlijn. Wat je daar ziet, is strijd en een enorme kracht; ritme en schoonheid, gruwelijke schoonheid. Het advies dat zingen puur zou gaan om uitdrukking en niet om welluidendheid is ridicuul. Mensen gaan toch niet naar een concert om de werkelijkheid te beleven? Die is overal. Het is de combinatie van waarachtigheid en schoonheid die van kunst een belevenis maakt.”

Hoe bereik je dat als zanger?

„Volhouden, investeren, studeren. Techniek traint je welluidendheid als het goed is. Maar tegen de tijd dat je een lied staat te zingen, moet er al veel voorwerk zijn gedaan. Wie een lied zingt van Debussy op tekst van Verlaine, moet daar alles van weten. Hoe was Verlaines leven, waar komt zijn dubbelzinnige melancholie vandaan, hoe verpakte Debussy die? Een zanger die de antwoorden kent, wil en zal die ook tot klinken brengen. Dat een lied vocaal binnen je macht ligt, is daarbij uiteraard wel de eerste voorwaarde. Maar dat is echt maar het begin. Dat inzicht is wezenlijk, en het blijkt zinvol het jonge zangers steeds weer mee te geven.”

Is een stem ooit ‘af’? En een vertolking, bereikt die ooit de perfectie?

„Nooit! Daarom vond ik het beluisteren van mijn eigen opnames ook zo zwaar. Maar ik weet nu dat onvermoeibaar perfectionisme eigen is aan kunstenaars. Pierre Bonnard ging vlak voor zijn vernissages ook nog altijd even snel met een penseeltje langs zijn schilderijen. Maar een zanger kan dat niet. Wat geklonken heeft, heeft geklonken.”

Mist u het zingen?

„Nou ja… wanneer je zingt voel je hoe je lichaam, verstand en ziel samenwerken op een manier die je in een soort extase brengt. Ik weet niet hoe het is om ‘high’ te zijn, maar ik stel me voor dat het zoiets moet zijn. Je stijgt boven jezelf uit, terwijl je tegelijkertijd heel alert bent. Vooral in het begin was ik na concerten vaak ongeremd door die high, dan zei ik rare dingen. Dat werd later beter.

„Maar de stem van een ouder mens is simpelweg niet meer zo goed. Zoals je last krijgt van stijve knietjes, zo ook wordt alles in je keel strammer. Dat is jammer, maar ik kan nog wel over kunst praten, en dat is ook heerlijk. Ik geef graag les, vooral met publiek erbij. Het is belangrijk dat ook zij zoveel mogelijk weten. Soms zeggen luisteraars tegen me dat ze ‘moesten huilen van ontroering’, maar ze kunnen niet benoemen waarom. Dan weet ik dat zij maar een klein deel van wat de muziek te bieden heeft, hebben beleefd.”

U zingt dus écht nooit meer?

„Ik fluit. Dat is een aardige uitweg. En ik maak als docent nog gebruik van mijn stem, bijvoorbeeld om een legato-lijn te demonstreren. Dat is heel belangrijk: het legato is de basis van alle klassieke zang.”

Zijn er andere hoofdpunten waarop u als docent specifiek hamert?

„Ademsteun samen met toonplaatsing. Vibrato is ook een punt. Een goed vibrato beslaat een lijn, geen golf. Maar zelfs op de grootste internationale podia hoor ik mensen wier vibrato zo wappert dat ik geen melodie meer kan onderscheiden. Wat hoor ik, is dit atonale muziek? Oh nee, het is Wagner, Berlioz, Schubert…!”

Geeft u veel les?

„Een paar keer per jaar. De laatste drie jaar was ik ook steeds een maand in Japan, half voor masterclasses, half voor de tuinen van Kyoto. Terwijl de wereld volgens mij onmiskenbaar door een beschavingsdal gaat, voel je je daar omringd door tastbare beschaving. Niet dat ik pessimistisch ben: na de val van het Romeinse Rijk kwam ook de Renaissance. De vraag is alleen of de mens nu achthonderd jaar de tijd heeft om daarop te wachten. Maar dat sterkt me slechts in mijn drang om mijn ideeën over muziek, het veld waarin ik zelf zo innig gelukkig was, liefdevol met de nieuwe generatie te delen.”

Wat doet u, naast doceren?

„Ik begin de dag met een rustig ontbijt. Overdag lees ik, of werk ik wat. ’s Avonds kijk ik naar reisprogramma’s op de BBC, volg het nieuws of bekijk een detective van Donna Leon. Ik ken alle straatjes in Venetië waar de commissario de engerds achtervolgt! En ik bezoek zoveel mogelijk concerten, of ontmoet vrienden. Oh, en ik zou mijn oude dagboekjes graag herlezen. Waar schreef ik ze anders voor?”

Welke hoogtepunten verwacht u daarin aan te treffen?

„Ik heb in mijn hele carrière misschien drie concerten gegeven waarvan ik echt dacht: ja, gelukt, ideaalbeeld waargemaakt! In 43 jaar is dat niet veel. Maar ik heb wel de boodschap van tekst en muziek doorgegeven, en het publiek heeft die aanvaard. Dat is mijn grote beloning. En overal in Europa ervaar ik ook nu nog dat het lied weer enorm leeft. Er zijn overal nieuwe festivals en masterclasses: Oxford, Leeds, Linden, Heidelberg, Stuttgart, Amsterdam, Zeist en ga zo maar door. Dus het lied dood? Vergeet het maar. Dat idee is ouwe koek.”

Int. Lied Festival Zeist, 17 t/m 26/5; ilfz.nl