Foto Olivier Middendorp

‘We zijn bezig onze planeet te vernietigen’

Maarten Bijleveld Natuurbeschermer Maarten Bijleveld (82), medeoprichter van het Wereld Natuur Fonds, deelt de VN-conclusies over de dramatische daling van de biodiversiteit, maar stelt dat een belangrijke oorzaak wordt verzwegen: bestrijdingsmiddelen.

Hij is in een kleine roadster naar zijn vaderland komen rijden. „Ik heb deze auto altijd willen hebben”, vertelt Maarten Bijleveld, staande naast een groene oldtimer voor het huis van een vriend in Aerdenhout, waar hij logeert. Natuurbeschermer Maarten Bijleveld (82) is al ruim vijftig jaar weg uit Nederland. Hij woont in Zwitserland, maar hij stond als student biologie aan de wieg van het Wereld Natuur Fonds in Nederland. „Ik ben de laatst levende medeoprichter.”

Wat Bijleveld de afgelopen tien jaar vooral bezighoudt, is de strijd voor wetenschappelijke waarheid wat betreft de neonicotinoïden, neurotoxische bestrijdingsmiddelen die een „desastreuze” uitwerking hebben op de natuur. Bijleveld heeft het vorige week verschenen rapport van de Verenigde Naties over het dramatische verlies aan biodiversiteit gelezen. Hij is het eens met de conclusies. Hij is tegelijkertijd „niet verbaasd” dat een van de belangrijkste oorzaken niet is vermeld: het gebruik van neonicotinoïden. De middelen werken in op het zenuwstelsel van insecten, amfibieën en zoogdieren en hebben onder meer tot een grote bijensterfte geleid, en tot het verdwijnen van dieren die van insecten afhankelijk zijn. Zwaluwen en mussen bijvoorbeeld.

Lees ook Miljoen soorten planten en dieren dreigen te verdwijnen

Een deel van de bestrijdingsmiddelen is vorig jaar door de Europese Unie verboden, althans in de volle grond. Dat het VN-rapport deze oorzaak van verlies aan biodiversiteit niet noemt, wijt hij aan de lobby van de agrochemische industrie. „Hun macht is gigantisch.”

Bijleveld kwam op het spoor van de neurotoxische bestrijdingsmiddelen door eigen waarneming in de Méditerranée. „Ik heb mijn droom kunnen verwezenlijken en heb behalve in Zwitserland ook een huis met wilde natuur in Zuid-Frankrijk. Een paradijs. Vanaf 2003 zag ik de achteruitgang. Minder insecten. Aan pesticiden dacht ik niet. Toen kreeg ik een mail van een Franse entomoloog, die schreef dat er een catastrofe wat betreft insecten gaande was.

„Het was precies wat ik waarnam. Er is maar één verklaring voor en dat is de opkomst van de neonicotinoïden in de jaren negentig. We zijn nu een kwarteeuw verder, we zitten er midden in. We raken onze vogels kwijt. Er zijn bijna geen zwaluwen meer in Europa. Er groeit nu een generatie op die nog nooit zwaluwen heeft gezien.

„De natuur stort in elkaar. Ik denk dat veel van onze politici nog nooit van het woord neonicotinoïden hebben gehoord. Zij hebben andere zorgen. Maar intussen zijn we wel bezig onze planeet te vernietigen. Het gaat om producten die je niet proeft en niet ziet, maar die achtduizend keer sterker zijn dan ddt [een insecticide, red.]. Het komt ons lichaam binnen via groenten en fruit. Het zit in onze haren. Het zit overal.”

Gieren in Zwitserland, bossen in Belize

Als natuurbeschermer van het eerste uur werkte Bijleveld veel samen met prins Bernhard, die in 1961 de eerste president van het internationale fonds werd, en ook van de Nederlandse afdeling, een jaar later gesticht onder de naam Natuur Noodfonds Nederland. „Ik heb Bernhard heel goed gekend”, vertelt Bijleveld bij de koffie. „Hij heeft als voorzitter altijd alles toegestaan wat ik hem heb gevraagd. De verzoeken moesten kort en krachtig worden geformuleerd, in minder dan tien regels, dat wel.

„Ook later heeft hij me geholpen, toen ik vanuit Zwitserland werkte aan de herintroductie van de lammergieren en de monniksgieren, en bij het beschermen van bossen in Belize. Het was een vader-zoonverhouding, ik stond voor hem in de houding. Het was een beminnelijke man, open, makkelijk, ik voelde me thuis bij hem.” Dat prins Bernhard ook jager was, tja. „Met dat dualisme heb ik het wel moeilijk gehad.”

Bijleveld hield in de jaren zestig als secretaris met gelijkgestemden het Wereld Natuur Fonds Nederland draaiende, in het begin vanuit een kantoorkamertje in Amsterdam, later op de zolder van het Rijksinstituut voor Veldbiologisch Onderzoek en in de boswachterij Austerlitz, beide in Zeist. „Ik werkte er meer dan goed was voor mijn promotieonderzoek naar Europese roofvogels. Dus op een gegeven moment sloeg mijn leermeester Karel Voous, de grootste Nederlandse ornitholoog en zoögeograaf van de vorige eeuw, als adviseur van het WNF met de hand op tafel bij het bestuur en zei: ‘U stelt nu een betaalde directeur aan.’ Dat gebeurde dan ook. Dat werd een gepensioneerde marineofficier.”

Bijleveld vertrok na zijn promotie met zijn gezin naar Zwitserland. Hij werkte er zeven jaar bij het internationale Wereld Natuur Fonds. Vervolgens leidde hij een honderdvijftig man sterke ecologiecommissie van de natuurbeschermingsorganisatie IUCN. „Heel leuk en vooral leerzaam.” In de jaren tachtig stichtte hij in Zwitserland een tropische tuin, Papiliorama, inmiddels een toeristische trekpleister.

Lees ook Een fit hert doodschieten valt niet mee

Een broertje dood aan de jacht

Bijleveld is een praktisch ingesteld man; hij was vanaf zijn jeugd weliswaar al „bezield” door het idee om de natuur te beschermen, maar aan prinzipienreiterei doet hij niet. „Dat helpt de zaak meestal niet.” Zo heeft hij altijd samengewerkt met jagers, hoewel hij aan de jacht een broertje dood heeft. „Ik heb het nooit begrepen. Ik heb als jongen ooit bij een neef gelogeerd, in de jaren vijftig, die buksen had om spreeuwen te verjagen bij een grote kersenboom. Ik leg aan, boem, plof. Ik raap die spreeuw op, bebloed, dood. Ik dacht: wat heb jij mij gedaan dat ik dit jou heb aangedaan? Dat was voor mij het einde. Nooit meer gedaan.”

Maar wie de natuur wil beschermen, moet met jagers samenwerken. „Anders ben je als natuurbeschermer niet goed bezig.” Hij herinnert zich de allereerste actie van het Wereld Natuur Fonds in Nederland: Operatie Havik. Het aantal broedparen was in die jaren door afschot en gebruik van pesticiden gedaald tot ongeveer vijftien. Er werden jonge haviken uit Duitsland gehaald, die anders zouden worden afgemaakt, en per uitgekomen broedsel werd door het ministerie van Landbouw 100 gulden [45 euro] uitgeloofd. „Dat was toen heel wat! Ik ging het land rond om met jachtopzichters koffie te drinken en die 100 gulden uit te reiken.”

Veel succes heeft hij ook gehad met de herintroductie van de raaf, vijftig jaar geleden. „De raven waren in Nederland door afschot uitgestorven. Ik kreeg uit Duitsland twee raven, een jong wijfje en een aangeschoten mannetje. Die ben ik met de auto gaan halen, in een doosje op de achterbank. Ik heb ze in een kooi op mijn balkonnetje in Zeist gezet, waar ik toen woonde, en na een paar weken konden we ze verhuizen naar een mooie kooi die Staatsbosbeheer had gebouwd midden in een dennenbos, in Austerlitz. Dat werd het succesvolste broedpaar ooit. Ze brachten elk jaar zes jongen groot. Inmiddels hebben we de raaf weer terug.”

Bijleveld hoopt nog lang te doen wat gedaan moet worden: het beschermen van de natuur. Succes is niet verzekerd, erkent hij. „Maar ik vind wel dat je gestreden moet hebben. Ik heb eens iemand horen zeggen: als alles misgaat, zal het niet aan mij gelegen hebben. Zo voel ik dat ook.”