Opinie

Undercover

Marcel van Roosmalen

Ik kan de Netflix-serie Undercover niet genoeg prijzen. Het script is dermate goed dat je soms zelfs moet lachen om de humor. Anna Drijver, Tom Waes en Elise Schaap spelen geweldig, maar Frank Lammers is de absolute ster. De rol van xtc-producent Ferry Bouman is hem wat je dan zegt op het lijf geschreven. Hij gedraagt zich bij Netflix niet veel anders dan in café Frankendael in Amsterdam, waar hij al zijn interviews doet en waar ik hem dan wel eens tegenkwam omdat ik er een periode iedere dag zat, met dien verstande dat hij daar geen mensen liet ombrengen, maar gewoon tosti’s bestelde die hij dan op dezelfde manier opvrat als Ferry Bouman.

Ik heb heel veel respect voor de manier waarop Frank Lammers eet: het hoofd gebogen tot bijna in het bord en dan alles met of zonder bestek zo snel mogelijk van A naar B en dan tussen twee happen door terloops meedelen dat PSV kampioen wordt. Ik zou willen dat hij in die Jumbo-reclames ook zo tekeerging met zakken chips. Ik weet nooit of Frank Lammers nou wel of geen reclame voor Brabant is, maar hij denkt van wel en uit het gebied komen geen klachten dus wie ben ik om iets anders te vinden.

Sinds die serie, en dat heeft niets met Brabant te maken, zie ik overal de georganiseerde misdaad. Zondag bijvoorbeeld in Sprookjeswonderland, the poor man’s Efteling te Enkhuizen. Mijn oudste dochter van bijna vier moet bijna huilen van geluk als ze de toegangspoort daar ziet. Met haar ben ik vier keer in schommelschip ‘d’Avontuur’ geweest, een wat potsierlijke naam voor drie minuten een opgeblazen gevoel. Drie van die vier ritjes – een medewerkster stond toe dat er wegens gebrek aan wachtenden, kom daar maar eens om in De Efteling, ook in het schip gewacht kon worden op de volgende ‘vlucht’ – bracht ik door naast een gezin dat zo mee had kunnen draaien in het xtc-wereldje. Dochtertje met een rotte voortand, moeder in legging met veel goud om de armen, dominante vader die tijdens het schommelen gewoon telefoneerde.

„Nee, ik zit godverdomme in dat schip… Weet ik veel… Ja, echt niet… Wanneer dan?... Hoe?... Ik vraag toch: Hoe? Wat?! Waaat?”

Hij was even stil, draaide zijn hoofd naar zijn dochtertje die iedere afdaling met een oerkreet onderging.

„Nou effe kop dicht, Cindy…”

Cindy, goede naam, trok zich er niets van aan.

Toen we uitgeschommeld waren zei mijn dochter: „Die meneer was boos.”

Ik keek naar de meneer, de meneer keek terug en ik haalde mijn schouders op. Dat deed mijn vader ook altijd als hij niets wist te zeggen.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.