‘Je kunt niet alles overeind houden in hoger onderwijs’

Interview Oud-staatssecretaris Martin van Rijn deed onderzoek naar de bekostiging van universiteiten en hogescholen. Hij vindt dat het onderwijs kan leren van de zorg.

Staatssecretaris Martin van Rijn van VWS bij aankomst op het Binnenhof voor de wekelijkse ministerraad.
Staatssecretaris Martin van Rijn van VWS bij aankomst op het Binnenhof voor de wekelijkse ministerraad. Remko de Waal

Een einde aan „de jacht op de aantallen” in het hoger onderwijs, het streven naar steeds meer studenten. Dat wil Martin van Rijn, voorzitter van de Adviescommissie Bekostiging Hoger Onderwijs en Onderzoek, die deze woensdag haar rapport publiceerde. Daarin wordt onder meer gepleit voor meer geld naar bèta- en techniekopleidingen van universiteiten en hogescholen.

Lees ook Meer geld naar bèta en techniekonderwijs ten koste van andere studies

„Instellingen richten nieuwe opleidingen op, om nog meer studenten te trekken, om problemen te tackelen die je structureel moet oplossen”, zegt Van Rijn. „We moeten de concurrentie tussen instellingen verminderen en meer samenwerken. Nu is groei de oplossing van bekostigingsproblemen en dan neemt de werkdruk toe.”

Martin van Rijn komt uit de zorg. Hij was als voormalig topambtenaar bij het ministerie van Volksgezondheid betrokken bij de inrichting van het huidige zorgverzekeringsstelsel. Later werd hij staatssecretaris van Volksgezondheid voor de PvdA en nu is hij voorzitter van de raad van bestuur van de Reinier Haga Groep – ziekenhuizen in Den Haag en omstreken.

Van Rijn vindt dat het hoger onderwijs kan leren van de bewaking van kosten en kwaliteit in de zorg. „Je moet net als in de zorg kijken naar wat de kwaliteit is, wat de kosten zijn en wat je ervoor over hebt. Je merkt hoe weinig duidelijk de kosten van de opleidingen zijn en wat ze eigenlijk opleveren”, zegt hij. „Dat is onbevredigend, zeker op de lange termijn. Welke opleidingen moeten een beetje meer en welke een beetje minder en wat voor voorzieningen moeten erbij? Als je je dat niet afvraagt, is het sturen in de mist.”

Opleidingen klagen juist over de bureaucratie van al die evaluaties.

„Ons punt is niet dat de kwaliteit niet goed zou zijn. Sterker nog, het hoger onderwijs staat internationaal hoog aangeschreven. Toch worden de opleidingen gefinancierd volgens normen die in het verleden zijn ontstaan. Waarom krijgt de ene opleiding ‘bekostigingsniveau’ 1 en de andere 3? En zijn de verhoudingen tussen vaste en variabele kosten wel goed? Dat zou je periodiek moeten onderzoeken.”

En daar moet de arbeidsmarkt een grotere rol in spelen?

„De invloed van studiekeuze moet in balans zijn met andere elementen, zoals de Nederlandse economie. Daar heb je meer bèta- en techniekstudenten voor nodig. Dus je moet kijken naar de ontwikkeling van de arbeidsmarkt, de opleidingskosten en het evenwicht daartussen.”

Kunt u de arbeidsmarkt wel voorspellen?

„Je moet oppassen met voorspellen. Maar je kunt inspelen op wat voor wetenschappelijk onderzoek de samenleving wil hebben zonder iedereen voor te schrijven wat die moet studeren. Studenten moeten daar eigenwijze keuzes in kunnen maken. Maar je kunt niet alles overeind houden. Je moet er richting aan geven.”

Wat bedoelt u nog meer met kwaliteit van opleidingen?

„Zijn de spullen nog wel up-to-date, de laboratoria bijvoorbeeld? Zijn er nieuwe technische mogelijkheden? Nieuwe ontwikkelingen, zoals algoritmen, beperken zich niet tot de techniekvakken. Zijn er voldoende docenten? Als de studentenaantallen groeien, moet je ook kijken naar wat er nodig is om hen les te geven. De werkdruk is enorm toegenomen. Collegezalen zitten vol, studenten liggen op de trap. Docenten zonder vaste aanstelling moeten ongelofelijk hard werken om al die studenten les te geven.”

En wat doe je met kleine vakken die onmisbaar zijn, maar weinig studenten trekken, zoals Hongaars?

„Dan moet je je toch afvragen of je niet moet samenwerken. De kwaliteit van het hoger onderwijs is alleen door samenwerking te handhaven. De overheid en de sector zouden daar een akkoord over kunnen sluiten. Als geld van de tweede geldstroom [subsidie op aanvraag] naar de eerste geldstroom [rechtstreekse subsidie] voor universiteiten gaat, kun je daar afspraken over maken: dit doen we als overheid, dit vinden we van belang de komende jaren en hier gaan we in investeren.”

Komt de snelle groei in de universiteit ook door internationalisering?

„Ja. De jacht op aantallen studenten wordt sterker door de internationale instroom. Door internationale uitwisseling blijf je goed op de hoogte van elkaars ontwikkeling. Het directe rendement voor de samenleving is beperkt omdat slechts een kwart van die studenten na de opleiding hier blijft. Maar de sturingsmogelijkheden voor buitenlandse studenten binnen de EU zijn niet zo groot.”

Volgens het rapport zullen instellingen bij een beperkt aantal plaatsen ook wel eens ‘nee’ moeten verkopen.

„De budgetten zullen altijd beperkt zijn. Dat betekent dat je aan je keuzes consequenties moet verbinden. Als je dat niet doet, gaat dat ten koste van docenten.”