Is die tik met een karwats theater?

Dans Performance Bunny van Daniel Kok en Luke George gaat over overgave, machtsverhoudingen en intimiteit. Het doet denken aan een gestileerde bdsm-sessie, maar dat is het niet.

xxx
xxx foto Chris Frape

‘Het is zoiets als een kikker koken. Maar dan een kikker die zich daarvan bewust is.” Daniel Kok grinnikt om zijn ietwat oneerbiedige beschrijving van de vrouwelijke toeschouwer die hij in de voorstelling Bunny met steeds meer ingewikkelde knopen in steeds minder comfortabele houdingen knevelde. De manier waarop hij haar bejegende tijdens het optreden in Brugge was echter uiterst voorkomend. Tientallen keren vroeg de uit Maleisië afkomstige danser, performer en theatermaker (én oud kampioen paaldansen): „Are you okay? Niet te strak? Gaat het nog?”

Geen overbodige luxe, want niet alleen beperkte hij haar bewegingsvrijheid steeds verder, maar hij ging ook dicht tegen haar aan liggen, intiem, lepeltje-lepeltje. Met de inhoud van haar tasje creëerde hij een spoor van damesspulletjes op de grond: van haarborstel en smartphonelader tot bankpas en identiteitsbewijs. Het voelde of hij haar uitkleedde.

Ondertussen liet Luke George, de Tasmaanse danser/choreograaf met wie Kok de voorstelling maakte, zijn been door een toeschouwer volgens de regels van de Japanse Shibari binden in een zogeheten futomomo (‘fat leg’; waarbij het onderbeen tegen de dij wordt gekneld). Ook zijn handen worden vastgeknoopt. George, de vriendelijke, met kleurige macramé-dreadlocks getooide ‘master of ceremonies’ van Bunny, ligt weerloos aan de voeten van het publiek dat dicht rondom het speelvlak zit.

Zelfs een Hello Kittyknuffeltje draagt een fraai geknoopt bondagetuigje in ‘Bunny’

Vrolijke kleurtjes

Bunny gaat over overgave. En over machtsverhoudingen, erotiek, intimiteit, participatie, man-vrouwrelaties, aandacht, vertrouwen, voyeurisme, kunst, de relatie tussen performer en publiek, de grens tussen theater en werkelijkheid. Die brede waaier aan thema’s is vervat in een performance – dans komt er nauwelijks aan te pas – die je zou kunnen omschrijven als gestileerde bdsm-sessie. Dat zou echter veel te simpel zijn en de twee uur durende, intense ervaring geen recht doen. Het gaat voorbij aan de vele vragen die het stuk opwerpt.

Wat is Bunny wél? De titel verwijst naar de praktijk van bondage, waar de ‘bunny’ wordt ingeknoopt en eventueel als een machteloze rollade opgehangen door de ‘rigger’. Maar de vrolijke kleurtjes van de touwen, het helderblauwe speelvlak, Georges knalroze peignoir en de mierzoete ballads zijn het tegenovergestelde van het duistere imago van bdsm. Geestig zijn ook de als fetisj ingebonden huishoudelijke apparaten, van de aloude macramé plantenhanger tot ventilator en stofzuiger. Zelfs een Hello Kittyknuffeltje draagt een fraai geknoopt bondagetuigje.

Kok: „Omdat ik als paaldanser niet gewend was met een partner te werken, moest ik niet alleen nadenken over mijn verhouding tot Luke, maar ook onze verhouding tot het publiek. Zo zijn we hierop uitgekomen: touw als visuele, fysieke metafoor voor verbinding. We zijn begonnen met macramé-, padvinders- en zeemansknopen. De subcultuur van bondage kenden wij geen van beiden, maar we konden er natuurlijk niet omheen. Gewoon elkaar publiekelijk vastbinden heeft geen theatrale meerwaarde. Maar de dynamiek tussen bunny en rigger ligt bij homo’s – we zijn allebei gay – minder vast dan bij hetero’s die aan bondage doen. Dominante en onderdanige kunnen van rol wisselen. Wat als we het speelveld nog verder zouden oprekken en het publiek erbij betrekken, niet als gimmick, maar als gegeven? Wat als iedereen bunny kan worden?”

Fantasie en verlangen

En dus wordt het publiek in Bunny uitgenodigd deel te nemen – medeplichtig. Het veroorzaakt zowel een soort saamhorig groepsgevoel als ongemakkelijke momenten. ‘Kan dit wel? Mág dit wel, onder het mom van kunst? Waar ligt die grens, waar trek ík die grens? Moet ik niet ingrijpen of tenminste protesteren?’, vraag je je bijvoorbeeld af als George een toeschouwer aanmoedigt het achterste van Kok wat steviger met de karwats te bewerken. Voor sommigen het signaal om op te stappen. Hebben zij gelijk?

Ook op andere momenten, als het knevelen extreme vormen aanneemt, dringen de vragen zich op. Niet in de laatste plaats of dit eigenlijk nog wel theater is. Kok: „De grens tussen participatie en observatie wordt in toenemende mate opgeheven, dus in die zin is het misschien geen theater. Maar het is wel theater omdat we in een gestileerde ruimte zijn, een plaats voor spel, fantasie en verlangen. Er gelden afspraken. Hier kunnen dingen gebeuren die niet per se overeenkomen met wat we in het dagelijks leven doen. Dat is de overeenkomst met bdsm.”

Maar, zegt hij, Bunny gaat vooral over communicatie. „In deze voorstelling willen we ook het proces thematiseren van het samen reflecteren over iets wat niet breed geaccepteerd is, open en met respect voor een ieders verwachtingen, interesses en waardensystemen. Daar is in de huidige maatschappij grote behoefte aan.”

Behartigenswaardig is de voorstelling ook in die zin dat de geconcentreerde aandacht waarmee George zijn ‘slachtoffer’ immobiliseert in een Takate Kote of enig ander ingenieus geknoopt touwharnas, iets van de aantrekkingskracht van bondage onthult. Intimiteit, vertrouwen en toewijding zijn de belangrijkste associaties die de handelingen en relaties in Bunny oproepen. „Vertrouwen is een reis”, zegt Kok, „een contract dat je samen gradueel vormgeeft, stap voor stap. Langzaam kun je samen naar iets extreems toewerken.”

Dat laatste is in tijden van #MeToo een nog delicater proces geworden, maar Kok en George hebben niets veranderd aan de voorstelling, die overigens al in première was gegaan vóór de beweging opkwam. Wel zijn ze des te zorgvuldiger geworden in het luisteren naar met name de vrouwelijke toeschouwers die zich vrijwillig laten manipuleren. „Is dat ‘ja’ wel een echt ‘ja’ of houdt ze zich groot? Het is nog maar zelden voorgekomen dat een vrouw aangaf te willen stoppen omdat het te bedreigend werd.” Hij grinnikt. „Dat is dan weer het voordeel van homo zijn.”