Indianen vingen vis door vijvers vol te laten lopen

Archeologie De oorspronkelijke savannebewoners konden in de droge tijd vis ‘bewaren’ in vijvers die in de natte tijd waren volgelopen.

De huidige toestand van een ronde vijver bij Loma Salvatierra in Bolivia.
De huidige toestand van een ronde vijver bij Loma Salvatierra in Bolivia. Foto Prestes-Carneiro et al., 2019

Op de jaarlijks overstromende savanne aan de rand van het Amazonegebied in Bolivia werden eeuwenlang kanaaltjes en vijvers gebouwd en onderhouden om daarin voor de droge tijd water en vis te vangen en te bewaren. Die vis, vooral moeraspaling, meervallen en longvissen, vormde er in de periode 500-1400 een belangrijke bron van eiwit voor de bevolking. Dit blijkt een onderzoek waarbij op een van de terpen in het gebied is bekeken welke vissen er gegeten werden. De onderzoekers publiceerden hun minutieuze onderzoek van meer dan 17.000 visbotjes woensdag in PLOS ONE.

De botjes zijn afkomstig van Loma Salvatierra, een van de ruim honderd prehistorische terpen in de buurt van de stad Trinidad, de meeste 20 meter hoog en zo’n 6 ha groot. Deze terp van 2 ha is met kanalen van zo’n 300 meter lang verbonden met een uitgegraven vijver (doorsnede: 30 m, diepte: twee meter) met een dam eromheen, die weer met kanalen is verbonden met een vergelijkbare vijver even verderop. Eenzelfde configuratie met kanalen en een stuk of drie vijvers van een paar meter diep is ook op veel andere plaatsen teruggevonden – vaak sterk overgroeid. Elders op de laagvlakte zijn al eerder ook andere visvijverstructuren gevonden, geen diepe vijvers maar zigzaggende dijkjes van 50 cm hoog, waartussen het water bleef staan. Maar visresten zijn daar nooit onderzocht.

Droogte en branden

De savanne Llanos de Mojos (ca 200.000 km2) in Noord-Bolivia is een slecht afwaterende vlakte die in de regentijd tussen oktober en april voor een groot deel (ca. 75.000 km2) onder een laagje water komt te staan (soms maar 5 of 10 cm diep), maar die de rest van het jaar zeer droog is, en geteisterd wordt door branden. Zoals een antropoloog het aan het begin van de vorige eeuw beschreef: „In het regenseizoen bezoek je hier de buren per kano, maar als je in het droge seizoen die kano’s ziet liggen kan je niet begrijpen waarvoor je die ooit nodig zou kunnen hebben.”

Al eerder was bekend dat het gebied in de precolumbiaanse tijd verrassend dicht bewoond was, met bewoning op terpen en landbouw (maïs, zoete aardappelen en cassave) op verhoogde akkers. Hoe de bewoners aan hun eiwitten kwamen was niet helemaal duidelijk. De bijzondere wijze van visvangst die nu voor het eerst met de analyse van visbotjes is bewezen, is volgens de onderzoekers een van de vele manieren waarop in het Amazonegebied mensen het landschap aan hun wensen aanpasten.

Lees ook: Een woud van prehistorische dorpen

Sinds een paar decennia wordt ook steeds duidelijker dat voor de komst van de Spanjaarden op de rivieroevers in het Amazonegebied intensieve bewoning bestond, vaak verbonden door nu overwoekerde wegen. Enkele zestiende-eeuwse bronnen beschrijven dat ook, maar voor de vondst van grote hoeveelheden ‘zwarte aarde’, die wees op intensieve bewoning en landbouw, werden die verhalen niet serieus genomen. Volgens moderne schattingen nam de autochtone bevolking van beide Amerika’s (ca. 60 miljoen vóór 1492) in de zestiende eeuw met 90 procent af, vooral door de besmettelijke ziekten die de Europeanen er brachten.