Foto Yuri Arcurs

‘Adoptiesysteem stimuleert wegkijken van wanpraktijken’

Proefschrift Criminoloog Elvira Loibl promoveerde op adoptie. Ze hekelt het misplaatste geloof dat deze kinderen gered moeten worden.

Criminoloog Elvira Loibl laat er geen misverstand over bestaan. Bij adoptie is sprake van een markt. „Kinderen worden makkelijk goederen, die je bij families kunt weghalen of van straat plukt. Door middel van documenten worden ze daarna vaak alsnog ‘witgewassen’. Tussen het land van de vraag en het land van het aanbod bestaan demografisch, economisch, justitieel e zoveel ongelijkheden, dat misdaad steeds op de loer ligt.”

In haar proefschrift ‘The transnational illegal adoption market’, waarop ze woensdag aan de Universiteit Maastricht promoveerde, legt Loibl de zwaktes in de Nederlandse en Duitse adoptiesystemen bloot. Bovendien komt ze met aanbevelingen voor verbeteringen.

Lees ook: ‘Ze hebben me verzonnen, puur om een kinderwens te vervullen’

De in Oostenrijk opgegroeide wetenschapper besteedt ook ruim aandacht aan het lang zo dominante verhaal over adoptie in het Westen. „Het grote geloof in enorme hoeveelheden kinderen die gered moeten worden”, noemt Loibl dat. „Terwijl die wezencrisis in de herkomstlanden lang niet zo groot is als wij veronderstellen. Veel kinderen hebben wel ouders, maar die brengen hen – soms tijdelijk– om uiteenlopende redenen onder bij instellingen. Veel straatkinderen hebben ouders die ook op straat leven. En vraag en aanbod sluiten niet altijd op elkaar aan: jonge, gezonde baby’s zijn het meest gewild, maar de meeste wezen zijn ouder en hebben soms een handicap.”

Hoe komt het dat dit verhaal zo diep verankerd is in het denken?

„Het zit sterk tussen de oren. Bureaus die de adoptie verzorgen dragen de boodschap uit met namen als Kind en Toekomst of Parents for Children. Ze geloven daar oprecht in. In de verhalen van adoptieouders lopen in veel gevallen de onvrede over ongewenste kinderloosheid en de wens om een jongen of meisje te redden door elkaar. Bij betrokken organisaties zitten soms mensen die zelf adoptieouder zijn. Dat maakt het ingewikkeld.”

U noemt het in 1995 in werking getreden Haagse Adoptieverdrag een Paard van Troje.

„Ik ben niet per se kritisch over dit door veel landen geratificeerde verdrag. Het idee erachter is goed: ethische normen voor adoptie en illegale praktijken voorkomen. Alleen gaat het te veel op basis van vertrouwen: alsof ratificatie alleen een nette gang van zaken garandeert. Voor veel kinderen sturende landen blijkt het vanwege armoede, corruptie en andere factoren echter moeilijk om de hoge standaarden van het verdrag in de praktijk te brengen. Ontvangende landen monitoren dat te weinig.”

U vergeleek de adoptiesystemen van Nederland en Duitsland. Zijn de verschillen groot?

„Het uitgangspunt van de landen verschilt al. Nederland ontvangt al adoptiekinderen vanaf de jaren vijftig van de vorige eeuw, Duitsland sinds de jaren zeventig. Tot die tijd stuurde het kinderen naar elders, omdat de oorlog sterk haar sporen naliet met armoede en gebroken gezinnen. In tegenstelling tot Nederland verbiedt Duitsland private adoptie niet. Dat maakt controle ingewikkeld, terwijl het al complex is: het toezicht wordt uitgeoefend per bondsland en niet op federaal niveau met één centrale autoriteit.”

En Nederland?

„Men is over het algemeen te goed van vertrouwen. Stel vragen als er in een land als Haïti negen- tot tienduizend dollar per kind moet worden betaald. Zet druk bij geconstateerde misstanden. Nederland verzuimde dat bijvoorbeeld richting China. Soms lijken economische en diplomatieke belangen zwaarder te wegen. Door het dominante verhaal over adoptie zijn autoriteiten ook sneller vergoelijkend dan bij andere misbruikpraktijken met kinderen.”

Hoe kan het beter?

„Verbieden is geen optie. Daarvoor is de kinderwens te groot. Dan gaat alles ondergronds. Alles laten regelen door overheden lijkt ideaal, maar is in de praktijk ondoenlijk en staten kijken wel uit om zich in een potentieel politiek mijnenveld te begeven. Ze kunnen wel een stuk beter monitoren. Wat helpt is om adoptiebureaus medeverantwoordelijk te maken voor de praktijken van hun partners in kinderen sturende landen. Nu zijn ze alleen aansprakelijk voor hun eigen deel. Dat stimuleert om de andere kant op te kijken bij onwelgevallige praktijken.”